L L E E T T O O P P - - Plaats de draad altijd in de ruimte in de vloerplaat, zodat de bevestigingsconstructie de draad niet afknelt
wanneer u de bevestigingsconstructie installeert.
9. Sluit de rode en zwarte draad vanaf de bevestigingsconstructie aan op de anker-naar-voertuig-kabel (6390-001-135).
Sluit de rode draad vanaf de bevestigingsconstructie aan op de rode draad van de anker-naar-voertuig-kabel. Sluit de
zwarte draad vanaf de bevestigingsconstructie aan op de zwarte draad van de anker-naar-voertuig-kabel. Voer
overblijvende draad door de rubberen dichtingsring voor de kabeldoorvoer.
O O p p m m e e r r k k i i n n g g - - Als u een eerder geïnstalleerde vloerplaat zonder de anker-naar-voertuig-kabel hebt, meet u 7,6 cm of
17,8 cm af richting het hoofdeinde vanaf plaatsbepalingspunt A (Afbeelding 7). Teken de plaats af in het midden van het
kanaal. Dit wordt de plaats van de kabeldoorvoer. Zie De vloerplaat installeren (6390-009-020) voor instructies over het
aansluiten van de elektra.
C
B
O O p p m m e e r r k k i i n n g g - - De veiligheidshaak (B) en de plaatsen van de extra montagegaten (C) worden uitsluitend als referentie
weergegeven (Afbeelding 7). Deze worden niet gebruikt voor het installeren van de P P e e r r f f o o r r m m a a n n c c e e - - L L O O A A D D .
10. Plaats de connectors in de ruimte in de vloerplaat.
11. Breng siliconenkit aan op de rubberen dichtingsring voor de kabeldoorvoer om de kabeldoorvoer volledig af te dichten.
W W A A A A R R S S C C H H U U W W I I N N G G - - Dicht alle spleten in het exterieur van het voertuig altijd af om te voorkomen dat uitlaatgassen de
patiëntruimte van het voertuig binnendringen.
12. Draai de draaidopjes (A) een halve slag voor toegang tot de bevestigde vloerplaatbouten die zich onder de dopjes
bevinden (Afbeelding 8).
O O p p m m e e r r k k i i n n g g - - Haal de vloerplaatbouten pas aan nadat alle vier de bouten zijn uitgelijnd en gedeeltelijk zijn ingeschroefd.
13. Installeer met een 3/8 inch (9,5 mm) inbussleutel de bevestigde vloerplaatbout die zich het dichtst bij het hoofdeinde
bevindt.
NL
22
A A f f b b e e e e l l d d i i n n g g 7 7 – – P P l l a a a a t t s s v v l l o o e e r r p p l l a a a a t t p p l l a a a a t t s s b b e e p p a a l l i i n n g g s s p p u u n n t t - - v v o o e e t t e e n n e e i i n n d d e e
A A
A A f f b b e e e e l l d d i i n n g g 8 8 – – D D e e b b e e v v e e s s t t i i g g i i n n g g b b e e v v e e s s t t i i g g e e n n
B
A
6392-009-005 Rev F.1