93014.15.12
MAC Address (Mac-adres): dit is het unieke MAC-adres voor de controller.
Dit kan niet worden gewijzigd.
Enable DHCP (DHCP inschakelen): de controller toestaan om automatisch
een IP-adres van het LAN-netwerk (Local Area Network) te ontvangen.
Toepassen: nadat de gewenste instellingen zijn bewerkt, gaat u naar de
optie voor het accepteren van de instellingen en drukt op Enter om de
ingestelde variabelen op te slaan.
Cancel (Annuleren): alle aangebrachte wijzigingen in de Ethernet-
instellingen negeren.
Map Integral Sequencing
Afbeelding 87 : Map Integral Sequencing
Dankzij Integral Sequencing kan de compressor in een netwerk worden
geplaatst met maximaal drie andere compressoren (vaste of variabele
snelheid) om een stabiele systeemdruk aan te houden door compressoren te
laden en te ontladen indien nodig. Als u integral sequencing wilt gebruiken,
hebt u geen extra hardware nodig. Het enige wat u nodig hebt, is een seriële
tweeaderige aansluitkabel om alle compressors in het systeem in serie te
verbinden met poort X04 op de controller.
Om ervoor te zorgen dat een compressor onderdeel vormt van een integral
sequencing-systeem, moet het instelpunt COM control (COM-beheer) o
het tabblad met bedieningsinstellingen worden ingeschakeld en moet de
compressor worden gestart via de lokale starttoets. Daarnaast adviseren
we de functie Auto-Restart (Automatisch opnieuw starten) in te schakelen,
aangezien het integral sequencing-systeem de machines alleen maar belast
en ontlast en nooit start of stopt. Integral sequencing is afhankelijk van
Auto-Restart (Automatisch opnieuw starten) voor het uitschakelen van de
compressormotor wanneer deze compressor niet nodig is.
80447188 Rev B
Het adres van de compressor in het Integral Sequencing-systeem wordt
bepaald door het RS-485-adres dat in de map Algemene instellingen
is ingesteld. Houd er ook rekening mee dat het druksignaal dat wordt
gebruikt om te bepalen wanneer een andere compressor moet worden
belast of ontlast, gebaseerd is op de drukwaarde van de compressor die
is toegewezen als de master voor integral sequencing. Tot slot moet voor
een goede werking van integral sequencing het instelpunt Active Protocol
(Actief Protocol) op het tabblad met algemene instellingen zijn ingesteld op
Airbus485.
Bepaalde functies kunnen het belasten en ontlasten van de compressor
verstoren:
•
Controleer of de schakelaar voor het belasten op afstand zich in de
geopende stand bevindt. Wanneer deze schakelaar is gesloten, kan
de schakelaar voor op afstand belasten/ontlasten de belastopdracht
definiëren.
•
De hoofdcontroller MOET zijn gestart en binnen de reeks draaien. Anders
worden de lokale instelpunten voor de compressors hersteld.
•
Als de hoofdcontroller een slavecontroller de opdracht geeft om een
compressor te belasten en de lokale druk van de slave hoger is dan de
ingestelde waarde voor de maximale uitschakeldruk of direct stoppen,
zal de slave de compressor lokaal ontlasten totdat de druk lager is dan de
ingestelde inschakeldruk of doeldruk.
Integral Sequencing: als u Integral Sequencing inschakelt, wordt deze
compressor de mastermachine van de reeks. Het druksignaal van de sensor
voor de uitlaatdruk van de hoofdcompressor wordt gebruikt als druksignaal
voor het systeem. Het standaardsignaal wordt uitgeschakeld. Voordat u deze
functie inschakelt, moet u ervoor zorgen dat alle compressors zijn ingesteld
voor integral sequencing. Het is belangrijk dat dit instelpunt voor slechts één
compressor in het systeem wordt ingeschakeld, anders kan dit van invloed
zijn op het gedrag van het systeem. Dit instelpunt mag alleen worden
gewijzigd wanneer de compressor is gestopt. Let wel dat de hoofdmachine
voor het Integral Sequencing-systeem niet de compressor hoeft te zijn die is
toegewezen aan RS-485-adres 1.
Unload Pressure (Ontlastdruk): bepaalt de druk waarbij een compressor
door het systeem wordt ontlast. De ingestelde ontlastdruk voor het
systeem moet altijd lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor
compressors in het systeem. Wanneer de compressor deel uitmaakt van
een systeem, worden de lokaal ingestelde drukwaarden genegeerd, met
uitzondering van de beveiligingsfuncties.
Load Pressure (Lastdruk): bepaalt de druk waarbij een compressor door het
systeem wordt belast. . De ingestelde ontlastdruk voor het systeem moet
altijd lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor compressors
in het systeem. De ingestelde ontlastdruk voor het systeem moet altijd
lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor compressors in het
systeem. Wanneer de compressor deel uitmaakt van een systeem, worden
de lokaal ingestelde drukwaarden genegeerd, met uitzondering van de
beveiligingsfuncties.
Start Delay Interval (Interval startvertraging): bepaalt hoeveel tijd
er tussen het belasten van de compressoren zit. Dit voorkomt dat alle
compressoren tegelijk belasten. Dit instelpunt moet worden ingesteld op
de waarde voor die compressor in het systeem die de langste starttijd heeft.
Doorgaans is dit gelijk aan de ster/driehoek-overgangstijd voor een machine
met een vast toerental of de aanlooptijd voor een VSD-machine.
Damping (Dempen): het instelpunt 'Damping' (Dempen) wordt gebruikt om
in te stellen hoe snel het systeem moet reageren op drukschommelingen. De
standaard is 10, wat normaal gezien niet moet worden gewijzigd.
Tolerance (Tolerantie): het instelpunt Tolerance (Tolerantie) wordt gebruikt
om aan te geven hoe het systeem moet reageren op drukwijzigingen boven
en onder de last-/ontlastdruk. De standaard is ,0 psi, wat normaal gezien
niet moet worden gewijzigd.
Number of Compressors (Aantal compressors): bepaalt hoeveel
compressors er in het systeem zitten. Het maximum is 4.
Priority (Prioriteit): er kan aan elke compressor een prioriteitsniveau worden
toegewezen. Wanneer er een prioriteit voor een compressor wordt ingesteld,
is dit van invloed op de rotatie. Compressors met de prioriteit 1 hebben altijd
een leidende positie, gevolgd door compressors met prioriteit 2 enz. De
compressoren kunnen alleen van positie wisselen met andere compressoren
van hetzelfde prioriteitsniveau.
NL
NL-45