93014.15.12
NL
is ingesteld. Houd er ook rekening mee dat het druksignaal dat wordt
gebruikt om te bepalen wanneer een andere compressor moet worden
belast of ontlast, gebaseerd is op de drukwaarde van de compressor die
is toegewezen als de master voor integral sequencing. Tot slot moet voor
een goede werking van integral sequencing het instelpunt Active Protocol
(Actief Protocol) op het tabblad met algemene instellingen zijn ingesteld op
Airbus485.
Bepaalde functies kunnen het belasten en ontlasten van de compressor
verstoren:
•
Controleer of de schakelaar voor het belasten op afstand zich in de
geopende stand bevindt. Wanneer deze schakelaar is gesloten, kan
de schakelaar voor op afstand belasten/ontlasten de belastopdracht
definiëren.
•
De hoofdcontroller MOET zijn gestart en binnen de reeks draaien. Anders
worden de lokale instelpunten voor de compressors hersteld.
•
Als de hoofdcontroller een slavecontroller de opdracht geeft om een
compressor te belasten en de lokale druk van de slave hoger is dan de
ingestelde waarde voor de maximale uitschakeldruk of direct stoppen,
zal de slave de compressor lokaal ontlasten totdat de druk lager is dan de
ingestelde inschakeldruk of doeldruk.
Integral Sequencing: als u Integral Sequencing inschakelt, wordt deze
compressor de mastermachine van de reeks. Het druksignaal van de sensor
voor de uitlaatdruk van de hoofdcompressor wordt gebruikt als druksignaal
voor het systeem. Het standaardsignaal wordt uitgeschakeld. Voordat u deze
functie inschakelt, moet u ervoor zorgen dat alle compressors zijn ingesteld
voor integral sequencing. Het is belangrijk dat dit instelpunt voor slechts één
compressor in het systeem wordt ingeschakeld, anders kan dit van invloed
zijn op het gedrag van het systeem. Dit instelpunt mag alleen worden
gewijzigd wanneer de compressor is gestopt. Let wel dat de hoofdmachine
voor het Integral Sequencing-systeem niet de compressor hoeft te zijn die is
toegewezen aan RS-485-adres 1.
Unload Pressure (Ontlastdruk): bepaalt de druk waarbij een compressor
door het systeem wordt ontlast. De ingestelde ontlastdruk voor het
systeem moet altijd lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor
compressors in het systeem. Wanneer de compressor deel uitmaakt van
een systeem, worden de lokaal ingestelde drukwaarden genegeerd, met
uitzondering van de beveiligingsfuncties.
Load Pressure (Lastdruk): bepaalt de druk waarbij een compressor door het
systeem wordt belast. . De ingestelde ontlastdruk voor het systeem moet
altijd lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor compressors
in het systeem. De ingestelde ontlastdruk voor het systeem moet altijd
lager zijn dan voor het lokale uitschakelinstelpunt voor compressors in het
systeem. Wanneer de compressor deel uitmaakt van een systeem, worden
de lokaal ingestelde drukwaarden genegeerd, met uitzondering van de
beveiligingsfuncties.
Start Delay Interval (Interval startvertraging): bepaalt hoeveel tijd
er tussen het belasten van de compressoren zit. Dit voorkomt dat alle
compressoren tegelijk belasten. Dit instelpunt moet worden ingesteld op
de waarde voor die compressor in het systeem die de langste starttijd heeft.
Doorgaans is dit gelijk aan de ster/driehoek-overgangstijd voor een machine
met een vast toerental of de aanlooptijd voor een VSD-machine.
Damping (Dempen): het instelpunt 'Damping' (Dempen) wordt gebruikt om
in te stellen hoe snel het systeem moet reageren op drukschommelingen. De
standaard is 10, wat normaal gezien niet moet worden gewijzigd.
Tolerance (Tolerantie): het instelpunt Tolerance (Tolerantie) wordt gebruikt
om aan te geven hoe het systeem moet reageren op drukwijzigingen boven
en onder de last-/ontlastdruk. De standaard is ,0 psi, wat normaal gezien
niet moet worden gewijzigd.
Number of Compressors (Aantal compressors): bepaalt hoeveel
compressors er in het systeem zitten. Het maximum is 4.
Priority (Prioriteit): er kan aan elke compressor een prioriteitsniveau worden
toegewezen. Wanneer er een prioriteit voor een compressor wordt ingesteld,
is dit van invloed op de rotatie. Compressors met de prioriteit 1 hebben altijd
een leidende positie, gevolgd door compressors met prioriteit 2 enz. De
compressoren kunnen alleen van positie wisselen met andere compressoren
van hetzelfde prioriteitsniveau.
Sequence (Volgorde): geeft de huidige belasting-/ontlastingvolgorde van
het systeem weer. Aan elke compressor in het systeem wordt een letter
toegewezen. De letter geeft aan of de machine met het toegewezen Airbus-
adres een primaire machine is (wordt het eerst belast, het laatst ontlast) of
NL-56
een van de secundaire machines. De letter A wordt toegewezen aan de
primaire machine, B aan de volgende machine die moet worden belast, C
aan de derde machine die moet worden belast en D aan de laatste machine
die moet worden belast. De machines worden in de omgekeerde volgorde
ontlast, zodat A de laatste machine in bedrijf is.
De eerste positie in de volgorde - - - - op pagina van het tabblad Integral
Sequencing verwijst altijd naar de compressor waaraan Airbus-adres 1 is
toegewezen. De tweede positie verwijst naar Airbus-adres 2 enz. Houd er
rekening mee dat de volgorde van de letters kan worden gewijzigd op basis
van de rotatie.
De volgorde wordt alleen weergegeven op de mastercontroller.
Rotate Now (Nu roteren): als dit instelpunt wordt geselecteerd, wordt de
volgorde gewijzigd op basis van de prioriteiten, ongeacht het ingestelde
rotatie-interval.
Rotation Interval (Rotatie-interval): bepaalt de tijd tussen de automatische
volgorderotaties.
Time Left (Resterende tijd): telt af tot een volgorderotatie.
System Pressure (Systeemdruk): geeft de huidige druk weer die het
systeem gebruikt als basis. Deze waarde wordt alleen weergegeven op de
mastercontroller.
Map Status
OPMERKING
Alle informatie op deze pagina's is Alleen-lezen . Paginummers
zijn geldig wanneer het wachtwoord wordt opgegeven . Wanneer
het wachtwoord niet wordt opgegeven, kan de volgorde enigszins
afwijken .
Pagina 1 – Analoge Ingangen
Afbeelding 115 : Analoge Ingangen
Analoge ingangen:
De volgende analoge ingangen worden weergegeven in dit gedeelte.
Package Discharge Pressure (Compressoruitlaatdruk): de druk die de
•
compressor aan de installatie levert.
Sump Pressure (Carterdruk): de interne druk van de compressor bij het
•
carter.
•
Airend Discharge Temperature (Uitlaattemperatuur
compressiemodule): de temperatuur van het water/olie-mengsel bij de
uitlaat van de compressiemodule.
Aftercooler Discharge Pressure (Uitlaatdruk nakoeler)(alleen voor
•
TAS-units): de druk die de compressor vóór de droger levert.
Pagina 2 T/M 4 – Compressorgegevens
Afbeelding 116 : Compressorgegevens
80447188 Rev B