Ondersteunde activiteiten
Het hulpmiddel past zich automatisch aan activiteiten zoals lopen en opstaan aan. De patiënt zal de diverse functies van het hulpmiddel moeten leren
herkennen en gebruiken.
Staanmodus
Het hulpmiddel zorgt voor steun wanneer de patiënt druk op de prothese uitoefent. De knie komt vrij/zwaait heen en weer wanneer er geen spanning/
gewicht op de prothese staat. De patiënt kan op een natuurlijke en fysiologische manier kleine stapjes maken en draaien.
Staan en vergrendelen
In vergrendelde toestand kan het hulpmiddel volledig worden belast.
Het hulpmiddel vergrendelen in volledige extensie:
1. Strek het hulpmiddel volledig uit.
2. Druk op de mechanische vergrendelingsknop.
Het apparaat ontgrendelen:
1. Duw de knie in hyperextensie.
2. Druk op de mechanische vergrendelingsknop.
Lopen op een vlakke ondergrond
Het hulpmiddel biedt adaptieve ondersteuning tijdens het staan voor een consistente ondersteuning en gecontroleerde zwaaibeweging. Het
hulpmiddel past zich automatisch aan de snelheid en de manier van lopen van de gebruiker aan.
Lopen op een vlakke ondergrond:
1. Belast het hulpmiddel vóór de eerste stap om de staande houding te activeren.
2. Zet de eerste stap met het gezonde been of met het prothesebeen en loop verder in het gewenste tempo.
Als de patiënt een wandelstok of een kruk gebruikt, moet die tijdens het staan ervoor zorgen dat het hulpmiddel wordt belast om steun te behouden.
Gaan zitten
Het hulpmiddel biedt weerstand, zodat de patiënt het gewicht gelijkmatig over beide benen kan verdelen en de snelheid kan controleren bij het gaan
zitten.
Om te gaan zitten:
1. Ga vóór een stoel staan.
2. Belast het hulpmiddel.
3. Leun lichtjes achterover en begin de knie te buigen tot die meegeeft.
4. Belast het hulpmiddel en gebruik het lichaamsgewicht om een continue knieflexie te behouden tot u zit. Zodra u zit, wordt het hulpmiddel
ontgrendeld en kan het vrij bewegen.
Opstaan
Opstaan vanuit een zitpositie:
1. Zorg ervoor dat de prothesevoet zich recht onder de knie bevindt.
2. Belast de prothesevoet. Handen op de knieën leggen helpt om het gewicht gelijkmatig te verdelen.
3. Ga staan. Het hulpmiddel laat een soepele strekking tot volledige staande positie toe. .
Een helling oplopen
Het oplopen van een hellende ondergrond is feitelijk gelijk aan lopen op een vlakke ondergrond.
Let op: gebruik altijd de leuning bij het oplopen van een helling.
Een trap en een helling aflopen
Let op: houd u bij het oplopen van een helling of een trap altijd aan een leuning vast.
De knie geeft steun terwijl deze buigt bij het aflopen van een helling en een trap.
Een trap of helling aflopen:
1. De eerste trede omlaag lopen met de prothese.
2. Gewicht op de prothese zetten. Iets naar achteren leunen om de knie te buigen. De knie zal buigen en steun geven.
3. De andere voet op de volgende traptrede of op de helling zetten.
4. Op die manier de trap of helling aflopen. De knie past de steun aan de loopsnelheid aan.
Let op: achterover leunen voorkomt dat u naar voren valt als u het evenwicht verliest.
102