3.
De keuze van de geschikte lengte van de katheter is uitsluitend ter beoordeling van de arts. Om een juiste plaatsing van de tip te bereiken, is een juiste keuze
van de katheterlengte belangrijk. Routine fluoroscopie moet altijd volgen op de eerste inbrenging van deze katheter om de juiste plaatsing vóór gebruik te
bevestigen.
LOCATIEVOORBEREIDING
1.
De patiënt moet in een gewijzigde Trendelenburg-houding worden gelegd, met de borstkas ontbloot en het hoofd iets gedraaid naar de tegenovergestelde kant
van de plaats van inbrenging.
2.
Voor plaatsing in de vena jugularis interna moet u de patiënt zijn hoofd van het bed laten optillen om de musculus sternomastoideus te definiëren. De veneuze
toegangsplaats bevindt zich aan de bovenkant van een driehoek die gevormd wordt tussen de twee koppen van de musculus sternomastoideus. De apex moet
ongeveer drie vingerbreedtes boven het sleutelbeen liggen.
3.
Bereidt een steriel veld voor en handhaaft het gedurende de hele procedure volgens het standaard institutionele protocol voor implanteerbare hulpmiddelen.
VOORZORGSMAATREGEL: Houd u aan de universele voorzorgsmaatregelen bij het inbrengen en onderhouden van dit hulpmiddel. Als gevolg van het
risico op blootstelling aan door bloed overgedragen pathogenen, dienen zorgverleners te allen tijde de standaardvoorzorgsmaatregelen inzake bloed en
lichaamsvloeistoffen te nemen bij de zorg voor hun patiënten. Gebruik te allen tijde steriele techniek.
4.
Bereid het steriele veld en de toegangsplaats voor met een goedgekeurde voorbehandelingsoplossing en een standaard operatietechniek.
VOORZORGSMAATREGEL: Gebruik standaard ziekenhuisprotocollen, indien van toepassing.
5.
(Indien van toepassing) Dien plaatselijke verdoving toe op de inbrengplaats en het pad voor de onderhuidse tunnel.
VENEUZE TOEGANG EN INBRENGEN VAN VOERDRAAD
1.
K-DOQI-richtlijnen bevelen het gebruik van echogeleiding aan.
OPMERKING: Mini-toegang ('micropunctuur') wordt aanbevolen. Volg de richtlijnen van de fabrikant voor de juiste inbrengtechniek.
Steek de introducernaald met aangehechte spuit in en breng hem in de doelvene, in de richting van de bloedstroom. Aspireer voorzichtig bij het inbrengen.
Aspireer een kleine hoeveelheid bloed om er zeker van te zijn dat de naald goed in de ader zit.
VOORZORGSMAATREGEL: Als er arterieel bloed wordt geaspireerd, verwijdert u de naald en oefent u onmiddellijk druk uit op de plaats, gedurende ten minste
15 minuten. Zorg ervoor dat het bloeden is gestopt en dat er geen hematoom is ontstaan, voordat u opnieuw probeert de ader aan te prikken.
2.
Wanneer de ader is binnengegaan, verwijdert u de spuit terwijl u de naald laat zitten en plaatst u de duim over de naaldhub om bloedverlies en/of luchtembolie
tot een minimum te beperken.
3.
Steek het distale uiteinde van de marker-voerdraad in de naaldhub (of mini-toegang introducerhub) en breng hem in de vasculatuur.
VOORZORGSMAATREGEL: Als u de bijgeleverde draad met het 'J'-tipje gebruikt, trek de punt van de draad dan terug in de stijltang, zodat alleen de punt van de
draad blootligt.
4.
Breng de voerdraad met voorwaartse beweging verder totdat de punt zich op de kruising van de vena cava superior en het rechteratrium bevindt.
WAARSCHUWING: Hartritmestoornissen kunnen het gevolg zijn als de voerdraad in het rechteratrium terechtkomt.
LET OP: Schuif de voerdraad of katheter niet verder op als er ongewone weerstand wordt ondervonden.
LET OP: Breng de voerdraad niet met geweld in een onderdeel en trek hem er ook niet met geweld uit. De draad kan breken of rafelen. Als de voerdraad
beschadigd raakt en moet worden verwijderd terwijl de naald (of de schede-introducer) wordt ingebracht, moeten de voerdraad en de naald samen worden
verwijderd.
VOORZORGSMAATREGEL: De lengte van de ingebrachte voerdraad wordt bepaald door de grootte van de patiënt en de gebruikte anatomische locatie.
VOORZORGSMAATREGEL: Dieptemarkeringen op de draad zullen helpen om de diepte van het inbrengen te bepalen. Bevestig altijd de juiste positie van de
voerdraad met behulp van fluoroscopie.
5.
Verwijder de naald (of de mini-toegangsintroducer), en laat de voerdraad zitten. De voerdraad moet tijdens de procedure goed worden vastgehouden. De
introducernaald moet eerst verwijderd worden.
VOORBEREIDING VAN DE KATHETER EN VERWIJDING VAN HET ONDERHUIDSE KANAAL
1.
Verwijder de verstevigingsstilet uit het veneuze lumen.
VOORZORGSMAATREGEL: De ProGuide-katheter is verpakt met een verstevigingsstilet voor de voerdraad om de plaatsing met de over-de-draad-techniek
te vergemakkelijken en wordt niet gebruikt met een verwijderbare introducer-inbrengtechniek (zie inbrengtechniek 2 voor het gebruik van de
verstevigingscomponent).
2.
Irrigeer elk lumen van de katheter met gehepariniseerde zoutoplossing en klem elk verlengstuk af vóór het inbrengen van de katheter.
WAARSCHUWING: De heparineoplossing moet onmiddellijk voor het gebruik van de katheter uit beide lumina worden geaspireerd om systemische heparinisatie
van de patiënt te voorkomen.
WAARSCHUWING: Om het risico op luchtembolie zo klein mogelijk te houden, moet u de katheter steeds afgeklemd houden als u hem niet gebruikt of als hij
vastzit aan een spuit, een infuusslang of bloedleidingen.
WAARSCHUWING: Patiënten die beademing nodig hebben, lopen een verhoogd risico op pneumothorax tijdens subclavische veneuze cannulatie.
LET OP: Klem het dubbele lumengedeelte van het katheterlichaam niet af. Klem alleen de doorzichtige verlengslang vast.
VOORZORGSMAATREGEL: Klem de katheter alleen af met de bijgeleverde in-lijn slangklemmen.
3.
Bepaal de uitgangslocatie van de katheter op de borstwand, ongeveer 8-10 cm onder het sleutelbeen, dat zich onder en evenwijdig aan de veneuze
punctieplaats bevindt.
VOORZORGSMAATREGEL: Een tunnel met een wijde, zachte boog vermindert het risico van knikken van de katheter. De afstand van de tunnel moet kort genoeg
zijn om te voorkomen dat de vertakte splitsing in de uitgangslocatie komt, maar lang genoeg om de manchet 2-3 cm (minimaal) van de huidopeningsplaats te
houden.
4.
Maak een kleine incisie op de gewenste uitgangslocatie van de getunnelde katheter op de borstwand. De incisie moet breed genoeg zijn om de manchet te
kunnen plaatsen, ongeveer 1 cm.
5.
Maak met behulp van een stompe dissectie de subcutane tunnelopening op de uitgangslocatie van de katheter voor de witte weefselingroeimanchet,
halverwege tussen de huiduitgangslocatie en de veneuze toegangsplaats, ongeveer 2-3 cm (minimaal) van de uitgangslocatie van de katheter.
WAARSCHUWING: Zet het onderhuidse weefsel niet te ver uit tijdens het tunnelen. Over-expansie kan ingroei van de manchet vertragen of verhinderen.
6.
Maak een tweede incisie boven en evenwijdig aan de eerste, op de veneuze inbrengplaats. Vergroot de incisies met een scalpel en maak een kleine pocket door
middel van een stompe dissectie om de kleine overblijvende katheterlus ('gewricht') weg te werken nadat de verwijderbare schede verwijderd is.
7.
Bevestig de tunneler aan het veneuze lumen van de katheter. Schuif de punt van de katheter over de tri-ball-aansluiting tot hij naast de schedeaanslag rust.
8.
Schuif de tunnelerschede over de katheter en zorg er daarbij voor dat de huls het arteriële lumen bedekt. Dit zal de weerstand in de onderhuidse tunnel verlagen,
wanneer de appositiebult en de arteriële poort door het weefsel gaan.
9.
Met de stompe tunneler leidt u de katheter en de tunnelerverbinding voorzichtig naar de uitgangslocatie en creëert u een onderhuidse tunnel vanaf de
uitgangslocatie van de katheter om uit te komen op de veneuze toegangsplaats.
LET OP: De tunnel moet voorzichtig gemaakt worden om schade aan de omliggende vaten te voorkomen. Vermijd tunnels door de spieren.
LET OP: Niet aan de katheterslang trekken of rukken. Indien weerstand wordt ondervonden, kan verdere stompe dissectie het inbrengen vergemakkelijken. De
katheter mag niet door de tunnel geforceerd worden.
10. Na het tunnelen van de katheter kan de tunneler verwijderd worden door de tunnelerschede van de katheter af te schuiven en de tunneler uit het distale uiteinde
van de katheter te trekken.
LET OP: Voorkom beschadiging van de katheter door een lichte draaiende beweging te gebruiken.
LET OP: Om beschadiging van de kathetertip te voorkomen, moet u de tunneler recht houden en hem er niet schuin uittrekken.
LET OP: Inspecteer de kathetertip op beschadiging voordat u verder gaat met de procedure
INTRODUCTIE VAN DE VERWIJDERBARE INTRODUCER MET VENTIEL
LET OP: De schede is niet bedoeld om een volledige afdichting in twee richtingen tot stand te brengen en is evenmin
bedoeld voor arterieel gebruik.
LET OP: De schede is bedoeld om bloedverlies te beperken, maar het is geen hemostaseventiel. Het ventiel kan de
snelheid van de bloedstroom aanzienlijk verminderen, maar er kan ook wat bloedverlies door het ventiel optreden.
1.
Plaats de vaatdilatator in de schede totdat het dilatorkapje over de ventielbehuizing vouwt en de dilatator op de schede
vastzet.
OPMERKING – optionele dilatatie:
•
Om het inbrengen van de verwijderbare introducer te vergemakkelijken, geven sommige artsen er de voorkeur aan de
ader te verwijden alvorens de introducer in te brengen.
•
Rijg de dilatator(en) over het uiteinde van de voerdraad en voer deze op in de ader met een draaiende beweging om de
doorgang door het weefsel te vergemakkelijken.
LET OP: Wanneer de dilatator(en) door het weefsel en in de vasculatuur gaat (gaan), moet u ervoor zorgen dat de
voerdraad niet verder in de ader komt.
2.
Terwijl u de voerdraad in de ader houdt, brengt u de vergrendelde verwijderbare introducer en dilatator over de
blootliggende voerdraad in de ader.
WAARSCHUWING: Laat de schede nooit als inwendige katheter op zijn plaats zitten. Er zal beschadiging van de ader optreden.
3.
Houd de schede op zijn plaats en scheid de dilatatordop van de behuizing van het schedeventiel door de dilatatordop van
de hub te wippen.
Trek de dilatator en de draad voorzichtig uit de schede en laat de introducer met ventielen op zijn plaats.
OPMERKING: Als u de voerdraad op zijn plaats laat zitten nadat u de dilator hebt verwijderd, kan het ventiel gaan lekken.
LET OP: Zorg ervoor dat de gespleten schede niet te ver in het vat wordt ingebracht, omdat een mogelijke knik een
blokkade van de katheter kan veroorzaken.
PLAATSING VAN DIALYSEKATHETER
1.
Breng het distale deel van de katheter door de schede-introducer met ventiel en in de ader.
VOORZORGSMAATREGEL: Om het knikken van de katheter tot een minimum te beperken, kan het nodig zijn om
deze in kleine stapjes op te schuiven door de katheter dicht bij de schede vast te pakken.
2.
Breng de katheterpunt naar de kruising van de vena cava superior en het rechteratrium.
3.
Terwijl de katheter is ingebracht en gepositioneerd, klikt u de lipjes van de ventielbehuizing goed vast in een vlak
loodrecht op de lange as van de schede, om het ventiel te splitsen en gedeeltelijk uit de katheter te trekken.
LET OP: Trek het gedeelte van de schede dat in het vat blijft niet uit elkaar. Om beschadiging van de bloedvaten te
voorkomen, trekt u de schede zo ver mogelijk terug en trekt u de schede slechts enkele centimeters per keer terug.
INBRENGTECHNIEK (1): ALGEMENE STAPPEN
PERCUTANE INBRENGING IN DE RECHTER VENA JUGULARIS INTERNA MET EEN
VERWIJDERBARE SCHEDE-INTRODUCER MET VENTIEL