15 Onderhoud
► Trek de afdekkap (1) los.
► Neem de borgring (2) met een schroeven‐
draaier weg.
► Trek de ring (3) van de wielas.
► Trek het voorwiel (4) van de wielas.
15.4.2.2 Voorwielen monteren
► Ontlast de voorwielen,
► Reinig de wielas met een zachte borstel.
► Vet de wielas in.
► Schuif het wiel (1) op de wielas (2).
Het ventiel wijst weg van de zitmaaier.
► Schuif de ring (3) op de wielas.
► Druk de borgring (4) op de uitsparing in de
wielas.
De borgring klikt vast.
► Zet het dopje (5) op de wielas (2).
15.4.3
Achterwielen demonteren en monte‐
ren
15.4.3.1 Achterwielen demonteren
LET OP
Let er bij het demonteren van de achterwielen op
dat de spieën niet verloren gaan.
► Ontlast de achterwielen,
► Trek de afdekkap (1) los.
► Neem de borgring (2) met een schroeven‐
draaier weg.
► Trek de ringen (3, 4) van de wielas.
► Trek het achterwiel (5) van de wielas.
De spie (6) moet in de groef van de wielas blij‐
ven zitten.
15.4.3.2 Achterwielen monteren
► Ontlast de achterwielen,
0478-192-9615-A
15.4.1.
15.4.1.
15.4.1.
► Reinig de wielas met een zachte borstel.
► Vet de wielas met smeervet in.
► Controleer de positie van de spieën (1) in de
groef van de wielas.
► Schuif het wiel (2) op de wielas.
Het ventiel wijst weg van de zitmaaier.
► Schuif de ringen (3, 4) op de wielas.
► Druk de borgring (5) op de uitsparing in de
wielas.
De borgring klikt vast.
► Zet het dopje (6) op de wielas.
15.5
Fusee smeren
► Zet de zitmaaier op een vlakke ondergrond.
► Zet de motor uit,
► Activeer de parkeerrem,
► Neem de contactsleutel uit het contactslot en
bewaar deze op een veilige plek.
► Ontlast de voorwielen,
► Reinig de smeernippels (1) op beide fusees
van de vooras.
► Plaats de vetspuit met smeervet op de smeer‐
nippels (1).
► Spuit het smeervet erin.
Er komt wat smeervet uit bij de fusees.
► Haal de vetspuit weg.
Nederlands
9.2.
11.5.1.
15.4.1.
201