6.4.1
Vergelijking klassieke/adaptieve stooklijn
Een klassieke stooklijn moet met betrekking tot de aanvoertemperatu-
ren niet te laag maar ook niet te hoog worden ingesteld.
• Wanneer de stooklijn te laag is ingesteld, worden de gewenste ka-
mertemperaturen eventueel niet bereikt.
• Een te hoog ingestelde stooklijn kan leiden tot inefficiënt gebruik van
de warmtebron (vooral bij warmtepompen) en dus tot hogere ge-
bruikskosten.
Daarom moet de stooklijn altijd zo nauwkeurig mogelijk worden vastge-
steld. In de nieuwbouw zijn de vereiste gegevens voor deze berekening
meestal voorhanden. Vaak is er een afwijking tussen de planning en de
werkelijke uitvoering. Bij bestaande gebouwen zijn er vaak geen gege-
vens uit de bouwfase. Hier moet men vaak uitgaan van schattingen of
richtwaarden ( afbeelding 19).
Dit geeft aan dat de ingestelde stooklijn in principe altijd afwijkt van de
vereiste stooklijn. In de praktijk bestaat daarbij eerder de neiging om de
stooklijn iets hoger dan de daadwerkelijke behoefte in te stellen.
De adaptieve stooklijn bepaalt zelfstandig en op bais van de vraag de
voor het betreffende gebouw benodigde aanvoertemperatuur met als
doel de warmtebron zo efficiënt mogelijk in te zetten. De adaptieve
stooklijn steunt daarbij op werkelijke meetgegevens en gewenste waar-
den (bijv. gewenste kamertemperatuur) en houdt daarbij rekening met
de werkelijke gebouwde uitvoering en het gebruikersgedrag (gewenste
kamertemperaturen).
Omdat in de praktijk de stooklijn vaak iets hoger dan daadwerkelijk no-
dig wordt ingesteld, kan in vergelijking met de klassieke stooklijn door de
adaptieve stooklijk het systeem vaak met lagere aanvoertemperaturen
worden gebruikt.
ϑ
/ °C
VL
50
45
40
35
30
25
20
+20
+10
0010047183-001
Afb. 19 Stooklijn vereist/geschat (vereenvoudigd)
Aanvoertemperatuur
ϑ
VL
Buitentemperatuur
ϑ
A
[1]
Stooklijn gebaseerd op geschatte waarden
[2]
Stooklijn die in werkelijkheid nodig is
SRC 100 RF – 6721856014 (2024/11)
1
2
0
–10
–20
/ °C
ϑ
A
6.4.2
Vergelijking opwarmfactor klassieke/adaptieve stooklijn
Een klassieke stooklijn moet zodanig worden ingesteld, dat de aanvoer-
temperatuur voldoende hoog is. Ten eerste, zo hoog dat de ruimten de
actuele ruimtetemperatuur op peil kunnen houden en ten tweede moet
er voldoende vermogen aanwezig zijn om de ruimten van bijv. 18 °C naar
20 °C te kunnen opwarmen ([3] in afbeelding 20).
Bij een buitentemperatuur van 0 °C zou een aanvoertemperatuur van
35 °C voldoende zijn om de ruimten op een temperatuur van 20 °C te
houden. Op basis van de opwarmfactor wordt echter in plaats van 35 °C
bijv. 40 °C ingesteld ([1] in afbeelding 20).
De adaptieve stooklijn heeft het betreffende warmtevraag geleerd en
kan dus naar adequaat reageren. Net als bij de klassieke stooklijn zou het
systeem na het nachtbedrijf met daarmee vergelijkbare temperaturen
(40 °C) werken. Wanneer de ruimtetemperaturen (20 °C) zijn bereikt,
wordt de aanvoertempeartuur tot 35 °C gereduceerd ([2] in
afbeelding 20).
In vergelijking met de klassieke stooklijn zou de adaptieve stooklijn in dit
voorbeeld vele uren met een zo'n 5 K lagere aanvoertemperatuur wer-
ken.
ϑ
,ϑ
/ °C
R
VL
45
40
35
30
25
3
20
15
0:00
6:00
0010047185-001
Afb. 20 Vergelijking invloed opwarmfactor (vereenvoudigd)
Aanvoertemperatuur
ϑ
VL
Kamertemperatuur
ϑ
R
t
Tijd
[1]
Aanvoertemperatuur stooklijn inclusief opwarmfactor bij een
constante buitentemperatuur van 0 °C
[2]
Adapteve stooklijn bij een buitentemperatuur van 0 °C (vereen-
voudigd)
[3]
Einde van het nachtbedrijf
[4]
Gewenste ruimtetemperatuur
[5]
Gemeten ruimtetemperatuur
Gedetailleerde functiebeschrijving
1
2
5
4
12:00
24:00
18:00
t / h
183