Herunterladen Inhalt Inhalt Diese Seite drucken

Terumo CAPIOX Gebrauchsanweisung Seite 14

Inhaltsverzeichnis
Verfügbare Sprachen
  • DE

Verfügbare Sprachen

  • DEUTSCH, seite 6
6. Monteer de bloedleidingen en de leiding van de cardioplegie-oplossing op de kop van de
rollerpomp. Zorg ervoor dat beide leidingen volledig afgesloten zijn.
WAARSCHUWING
Beide leidingen moeten volledig afgesloten zijn zodat de cardioplegie-oplossing niet
terug naar de oxygenator kan vloeien en de verhouding bloed / cardioplegie-oplossing
wordt behouden zoals ingesteld.
7. Verbind de leiding van de cardioplegie-oplossing met de respectievelijke zakjes.
8. Verbind de bloedleiding met de bloedcardioplegiepoort van de oxygenator of met de arteriële
leiding en klem de bloedleiding af vooraleer het extracorporele circuit te primen.
9. Verbind de thermistorsonde met een temperatuurmonitor. Monitors van het type Y.S.I.* 400
kunnen in combinatie met het volgende onderdeel worden gebruikt: Code Nr.: CX*BP021
(blauwe kabel) of CX*BP022 (rode kabel). (* Y.S.I. 400: merknaam, Yellow Springs Instrument
Co., Inc.)
10. Verbind de slang om de druk te controleren met de drukcontrolepoort.
OPGELET
Het is aan te raden om de slang die de druk controleert op het andere uiteinde te
voorzien van een driewegkraantje en een drukisolator.
B. PRIMING
1. Prime de oxygenator en het extracorporele circuit vooraleer het circuit van de CAPIOX
CARDIOPLEGIA te primen.
2. Maak de klemmen op de bloedleiding en de leiding van de cardioplegie-oplossing los. Prime
het cardioplegiecircuit tot een bepaald punt voorbij de cardioplegiepomp vooraleer de bypass
te starten.
WAARSCHUWING
Als het cardioplegiecircuit niet tot voorbij de kop van de cardioplegiepomp geprimed is,
kan lucht in de arteriële leiding en/of in de oxygenator terechtkomen.
OPGELET
Als er een shunt geplaatst is tussen de bloedleiding en de leiding met cardioplegie-
oplossing, moet deze geprimed worden, ook al zou deze niet gebruikt worden.
3. De rest van het circuit en het apparaat mag ofwel vóór of onmiddellijk na het starten van de
bypass worden geprimed.
4. Kantel het apparaat in de houder om de bloeduitlaatpoort te primen. Prime het apparaat door
de cardioplegiepomp traag te laten werken (maximum debiet: 50ml/min.)
5. Van zodra de primeoplossing een punt distaal t.o.v. de bloeduitlaatpoort bereikt heeft, de
bloeduitlaatleiding naast de bloeduitlaatpoort afklemmen.
6. Plaats het apparaat terug rechtop en prime de leiding die de druk controleert. Klem deze
leiding bij de drukcontrolepoort af.
7. Prime de luchtkamer totdat alle lucht via de purgeerslang verwijderd is. Stop de
cardioplegiepomp.
OPGELET
Het apparaat niet met een klem aantikken tijdens het ontluchten. Het apparaat kan zo
beschadigd worden en/of beginnen lekken.
8. Sluit het driewegkraantje op de ontluchtingspoort.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat alle lucht uit het apparaat en uit de circuits verwijderd is, vooraleer de
cardioplegie-oplossing aan de patiënt toe te dienen.
9. Verbind de uitlaatleiding met de leiding van het operatieveld en prime deze laatste langzaam
zoals gewoonlijk.
OPGELET
Als er een shunt geplaatst is tussen de bloedleiding en de leiding van de cardioplegie-
oplossing, moet deze shunt leiding afgeklemd worden om te voorkomen dat de
oplossing terug naar het zakje vloeit na het opstarten van de bypass.
C. BEDIENING TIJDENS DE BYPASS
Tijdens en/of na de procedure, wanneer er lucht in de luchtkamer gevangen zit, open het
driewegkraantje op de ontluchtingspoort om de lucht te verwijderen.
OPGELET
Het apparaat niet met een klem aantikken tijdens het ontluchten. Het apparaat kan zo
beschadigd worden en/of beginnen lekken.
1. Laat water in de warmtewisselaar van de CAPIOX CARDIOPLEGIA circuleren, vooraleer
bloed en/of cardioplegie-oplossing toe te dienen
2. Bepaal de temperatuur van het water.
WAARSCHUWING
De temperatuur van het water dat in het apparaat wordt aangevoerd, mag niet hoger zijn
dan 42°C (108°F); anders kan het bloed worden beschadigd.
3. Na het losmaken van de klem op de drukcontroleleiding, de cardioplegiepomp starten om
bloed en/of cardioplegie-oplossing aan de patiënt toe te dienen.
WAARSCHUWING
• Zorg ervoor dat er geen klem is op de toevoerleiding naar de patiënt. Als de
toevoerleiding naar de patiënt afgeklemd is, kan het apparaat beschadigd worden
door een plotse, interne drukverhoging.
• De zakjes met cardioplegie-oplossing mogen niet volledig leeglopen om te vermijden
dat er lucht in het apparaat terechtkomt. Als er lucht in het apparaat zit, kan dit leiden
tot een luchtembolie bij de patiënt.
• De
druk
bij
de
inlaat
van
500 mmHg (67 kPa); anders kan het apparaat beschadigd worden of beginnen lekken.
4. Bewaak de temperatuur van het bloed/de cardioplegie-oplossing en de interne druk.
5. Stop de cardioplegiepomp als de gewenste hoeveelheid bloed en/of cardioplegie-oplossing is
toegediend.
6. Stop de circulatie van het water.
WAARSCHUWING
Als de circulatie van het water niet wordt gestopt, kan dit bij gebruik van koud water
leiden tot koude agglutinatie.
7. Herhaal stap 1 tot 6 om het toedienen van bloed en/of cardioplegie-oplossing bij de patiënt te
hervatten.
WAARSCHUWING
Ga voorzichtig te werk bij het vervangen van de zakjes met cardioplegie-oplossing,
zodat dat er geen lucht in het apparaat terechtkomt. Als er lucht in het apparaat
aanwezig is, kan dit bij de patiënt een luchtembolie veroorzaken.
PRESTATIEGEGEVENS EN SPECIFICATIES
A. PRESTATIEGEGEVENS
Rendementsfactor van de warmtewisselaar (in-vitro)
de
oplossing
mag
niet
hoger
zijn
Condities:
Runderbloed
Hb = 12 ± 1 g/dl
Tbi = 30 ± 1°C
Twi = 4 ± 1°C
Waterdebiet = 15 l/min.
dan
Inhaltsverzeichnis
loading

Inhaltsverzeichnis