11.1. Apparaat reinigen
GEVAAR! ELEKTRISCHE SCHOK!
Dompel het apparaat niet onder in water of andere vloei-
►
stoffen en spuit het niet schoon met water.
VOORZICHTIG!
Let tijdens het reinigen van de beschermkap (12) op de
►
draadknipper (33). Anders kunt u snijwonden oplopen.
LET OP!
Gebruik geen schoonmaak- of oplosmiddelen. Deze kunnen
►
de oppervlakken beschadigen.
De motorunit moet altijd schoon, droog en vrij van olie of
■
smeervet zijn.
Om het motorblok, de ventilatiegleuven, de handgrepen en
♦
de schachtbuizen te reinigen, gebruikt u een borstel of een
licht bevochtigde doek.
Reinig de beschermkap (12) en het maaigereedschap na
♦
elk gebruik. Verwijder grasresten en aarde met behulp van
een borstel.
Heggenschaar reinigen
De heggenschaar moet regelmatig worden vrijgemaakt van
■
zaagspanen.
Controleer de messenbalk (75) van de heggenschaar op
♦
losgeraakte schroeven en draai die zo nodig vast.
Verwijder vastgeraakt snoeisel.
♦
Verzorg de messenbalk met olie uit een spuitbus of een
♦
kannetje.
Hoogsnoeier reinigen
De hoogsnoeier moet regelmatig worden vrijgemaakt van
■
zaagspanen.
Verwijder het kamwielhuis (56).
♦
Haal de zaagketting (59) van het zwaard (60) en maak
♦
beide grondig schoon.
Houd de zaagketting scherp en controleer de spanning,
♦
het oliepeil en de olietoevoer.
Draadspoel / drietandsmes reinigen
Verwijder vastgeraakt snoeisel.
♦
Houd het drietandsmes (20) scherp om het werk te
♦
verlichten.
11.2. Algemeen onderhoud
WAARSCHUWING!
Schakel altijd eerst het apparaat uit en haal de accu eruit
►
voordat u werkzaamheden uitvoert aan het snoeigereed-
schap!
Controleer de aandrijving regelmatig en zorg er-
♦
voor dat er voldoende aandrijfvet aanwezig is. Vul
evt. een beetje aandrijfvet bij (ca. 18-20 g) om
de aandrijving te smeren.
1) Draai hiervoor met een 5mm-inbussleutel (niet meegele-
verd) de schroef aan de voorkant van de apparaatkop open
(zie afb. D op de uitvouwpagina) om het aandrijfvet in de
smeeropening te drukken.
2) Na het vullen veegt u eventueel overtollig vet af en sluit u
de smeeropening weer met de schroef.
Controleer het apparaat vóór elk gebruik op mogelijke de-
♦
fecten of schade, zoals losse, versleten of beschadigde on-
derdelen.
Controleer de beschermkap (12) en andere veiligheidsvoor-
♦
zieningen op beschadigingen en controleer of ze correct
aangebracht zijn. Vervang ze indien nodig.
Controleer regelmatig de draadknipper (33). Gebruik het
♦
apparaat nooit zonder of met een beschadigde draadknipper.
Laat een defecte draadknipper direct door onze technische
dienst vervangen.
|
Nederlands
129