5.5 Aanloop asafdichting
De oppervlakken van de asafdichting worden gesmeerd door de
verpompte vloeistof. Een geringe lekkage van de asafdichting van
maximaal 10 ml per dag op 8 tot 10 druppels per uur is mogelijk.
Onder normale omstandigheden verdampt de lekkende vloeistof.
Hierdoor wordt geen lekkage gedetecteerd.
Wanneer de pomp voor het eerst wordt ingeschakeld, of wanneer
de asafdichting is vervangen, is een bepaalde inloopperiode
nodig voordat de lekkage is gereduceerd tot een aanvaardbaar
niveau. De benodigde tijd hiervoor hangt af van de bedrijfsstatus,
d.w.z. elke keer dat de bedrijfsstatus verandert wordt een nieuwe
inloopperiode gestart.
Lekkende vloeistof wordt afgevoerd door de afvoeropeningen in de
motorflens.
Installeer het product op zodanige wijze dat geen ongewenste
bijkomende schade kan ontstaan door lekkage.
6. Regelfuncties
6.1 Constante druk
De ingebouwde toerentalregelaar handhaaft een constante druk
in het leidingsysteem. Een druksensor meet veranderingen in het
waterverbruik en meldt aan de toerentalregelaar dat het toerental
van de motor naar boven of beneden moet worden bijgesteld.
6.2 Droogloopbeveiliging
De droogloopbeveiliging schakelt automatisch de pomp uit bij
drooglopen om schade aan de pomp te voorkomen.
De motor werkt op maximaal toerental om de druk op te
bouwen. Als de motor op maximaal toerental werkt, wordt het
stroomverbruik gemeten en vergeleken met de verwachte waarden
voor stroomverbruik wanneer de pomp gevuld is met water. Als de
gemeten waarde onder de verwachte waarde ligt, wordt de pomp
uitgeschakeld met droogloopalarm.
In het geval van een droogloopalarm zal de pomp het volgende
doen:
1. De pomp stopt.
2. De pomp wordt 5 keer, elke 10 seconden, opnieuw gestart. Als
het gemeten stroomverbruik nog steeds onder de verwachte
waarde ligt, wordt de pomp uitgeschakeld.
3. Na 5 minuten zal de pomp opnieuw proberen in te schakelen.
4. Als er water komt, kunt u de pomp handmatig resetten of
wachten totdat de pomp automatisch na 5 minuten opnieuw
wordt ingeschakeld.
76
6.3 Inlaatdrukbeveiliging
Sommige modellen van de pomp zijn uitgerust met een verstelbare
drukschakelaar voor inlaatdrukbeveiliging. Deze drukschakelaar
wordt aangebracht op het inlaatspruitstuk.
De inlaatdrukinstelling moet wellicht worden aangepast aan de
lokale regelgeving.
Pos.
Beschrijving
1
Drukschakelaarventiel
Controleer voordat u de installatie in bedrijf stelt of het
ventiel van de drukschakelaar open staat.
Als de voordruk beneden het onderste schakelpunt ligt,
kan het systeem niet starten.
Als de drukschakelaar het systeem tijdens bedrijf heeft
gestopt vanwege een te lage voordruk, kan het systeem
pas opnieuw starten nadat de voordruk is toegenomen tot
een druk die hoger is dan de instelling van het bovenste
schakelpunt.
Pas, indien nodig, het onderste schakelpunt aan door aan schroef A
te draaien en pas het bovenste schakelpunt aan tot een hogere
waarde dan het onderste schakelpunt door aan schroef B te
draaien. Zie de onderstaande afbeelding.
Stel het onderste schakelpunt niet in op een waarde onder
de minimale voordruk.
A
Aanpassing van schakelpunten
Pos.
Beschrijving
A
Lagedrukschakelpunt
B
Hogedrukschakelpunt
1
B