de zijkant of ondersteboven wordt bewaard.
Dit is een gevolg van de noodzakelijke ven-
tilatieopening aan de bovenste rand van het
reservoir. Het is dus normaal en vormt geen
grond voor een claim. Omdat elke ketting-
zaag tijdens de productie met olie wordt ge-
controleerd en getest, kan er ondanks het le-
gen een klein restje in de tank achterblijven,
waardoor de behuizing tijdens het transport
gemakkelijk met olie besmeurd kan raken.
Reinig de behuizing met een doek.
Vooraleer u de zaagketting vervangt, moet
de gleuf van de geleidingsrail worden
schoongemaakt omdat bij aanwezige vuilaf-
zettingen de zaagketting uit de rail kan sprin-
gen. Het vuil kan ook de kettingolie opzui-
gen. Het gevolg zou zijn dat de kettingolie
niet of slechts een klein deel van de onder-
kant van de rail bereikt en de smering af-
neemt.
Zaagketting spannen
AANWIJZING! De zaagketting niet aanspan-
nen of vervangen als deze nog heet is, om-
dat ze na het afkoelen opnieuw een beetje
inkrimpt. Bij niet-naleving kan dit leiden tot
schade aan de geleidingsrail of de motor,
omdat de zaagketting dan te strak rond het
zwaard ligt.
Het regelmatig aanspannen van de zaagket-
ting dient voor de veiligheid van de gebruiker
en vermindert of verhindert slijtage en ket-
tingschade. We raden de gebruiker aan voor
het aanvatten van het werk en met interval-
len van ca. 10 minuten de kettingspanning
te controleren en indien nodig te corrigeren.
Tijdens werken met de zaag wordt de zaag-
ketting warm en zet daardoor een beetje uit.
Met dit "langer worden" moet in het bijzon-
der bij nieuwe zaagkettingen rekening wor-
den gehouden.
Kettingspanning en -smering beïnvloeden
aanzienlijk de levensduur van de zaagketting.
Bij een nieuwe zaagketting moet u de ket-
tingspanning na maximaal 5 snijbewerkingen
aanpassen.
De zaagketting is correct gespannen als
hij aan de onderkant van het zaagblad niet
doorhangt en met de gehandschoende hand
helemaal kan worden rondgetrokken. Bij het
trekken aan de zaagketting met 9 N (ca. 1
kg) trekkracht mogen de zaagketting en het
zwaard niet meer dan 2 mm van elkaar zijn
verwijderd.
VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel door
onbedoeld aanlopen van het apparaat. Scha-
kel het apparaat uit. Haal de accu's uit het
apparaat.
Procedure (Fig. C)
1. Zorg ervoor dat de kettingrem is gelost,
d.w.z. dat de kettingremhendel (5) tegen
de voorste handgreep (4) is getrokken.
2. Los de vleugelmoer (12) ⭯ .
3. Voor het spannen van de zaagketting
draait u de kettingspanschroef (13) ⭮ .
Om de spanning te doen afnemen, draait
u de kettingspanschroef (13) ⭯ .
4. Draai de vleugelmoer (12) ⭮ weer vast.
Bij een nieuwe zaagketting moet u de ket-
tingspanning na maximaal 5 snijbewerkingen
aanpassen.
Zaagtechnieken
WAARSCHUWING! Gevaar voor verwon-
dingen! Als de zaagketting vastzit, probeer
dan niet de kettingzaag met geweld naar
buiten te duwen. Schakel de motor uit, ver-
wijder de accu's en gebruik een hefboomarm
of wig om de kettingzaag vrij te maken.
• Ga bij zaagwerkzaamheden op een hel-
ling altijd boven de boomstam staan.
• Verwijder vuil, stenen, losse schors, spij-
kers, nietjes en draad uit de boom.
• De zaagketting mag tijdens het doorza-
gen of daarna noch de grond noch een
ander voorwerp aanraken.
• U hebt meer controle over het apparaat
wanneer u met de onderkant van het
zwaard (met trekkende zaagketting) en
niet met de bovenkant van het zwaard
(met schuivende zaagketting) zaagt.
• Zorg ervoor dat de zaagketting niet in de
snede vastgekneld raakt. De boomstam
mag niet breken of afsplinteren.
• Neem de voorzorgsmaatregelen te-
gen terugslag in acht (Oorzaken en
voorkomen van terugslag door de
bediener, Pag. 86)
• Tegen het einde van de zaagsnede ver-
mindert u de contactdruk zonder uw ste-
NL
BE
91