Zaagblad monteren en
demonteren
VOORZICHTIG! Risico op
letsel bij aanraking van het
zaagblad. Draag beschermen-
de handschoenen bij hantering
van het zaagblad.
Voorwaarden
• Gebruik nooit een slijpschijf. Het
toerental en de veiligheidsvoorzie-
ningen van een cirkelzaag zijn niet
geschikt voor slijpschijven.
• Kies een geschikt zaagblad op ba-
sis van het te zagen materiaal.
• Zaagbladen, bestemd voor het za-
gen van hout of soortgelijke ma-
terialen, moeten voldoen aan EN
847-1.
• Gebruik enkel zaagbladen met een
diameter overeenkomstig het op-
schrift op het zaagblad.
• Gebruik alleen zaagbladen met
maximale diameter: 190 mm
• Gebruik alleen zaagbladen waar-
van de toerentalmarkering over-
eenkomt met of hoger is dan het
opgegeven toerental van uw appa-
raat.
• Markering minimum toerental van
het zaagblad: 6000 min⁻¹
• Het zaagblad heeft geen zichtbare
scheuren. Cirkelzaagbladen waar-
van het zaaglichaam gebarsten is,
moeten worden weggegooid (repa-
ratie is niet toegestaan).
• De spanvlakken zijn vrij van vuil,
vet, olie en water.
• Om de boringdiameter van cirkel-
zaagbladen aan te passen aan de
spindeldiameter van de machine,
mogen alleen vaste ringen worden
gebruikt, bijvoorbeeld ingeperste
ringen of ringen die op hun plaats
worden gehouden door een lijm-
verbinding. Het gebruik van losse
ringen is niet toegestaan.
Benodigde gereedschappen
• Inbussleutel (6)
Procedure
1. Haal de accu's uit het apparaat.
2. Stel de snijdiepte zo in dat de
borgschroef stopt aan de boven-
kant van de schaalverdeling.
3. Houd de spindelvergrendeling (15)
ingedrukt.
4. Draai de klemschroef (24) los met
de inbussleutel (6). U kunt de spil-
vergrendeling (15) loslaten.
5. Draai de beschermkap terug met
de terugtrekhendel (25) en houd de
beschermkap in deze positie.
6. Demonteren: Verwijder de klem-
flens en het zaagblad van de mon-
tageflens (43).
Monteren: Plaats het zaagblad op
de montageflens (43).
De draairichting van het zaagblad
moet overeenkomen met de draai-
richtingspijl (27).
7. Laat de beschermkap terugzwen-
ken naar de beschermende posi-
tie.
8. Plaats de spanflens (23).
De gladde kant van de spanflens
moet zichtbaar zijn.
9. Houd de spindelvergrendeling (15)
ingedrukt.
10. Draai de klemschroef (24) vast met
de inbussleutel (6). U kunt de spin-
delvergrendeling (15) loslaten.
Het verlengen van de sleutel of het
aandraaien met hamerslagen is
niet toegestaan.
Parallelaanslag gebruiken
De parallelaanslag kan aan beide kan-
ten van het apparaat gemonteerd
worden. Hij moet ten minste door de
houder met borgschroef lopen.
BE
NL
83