Zet de trekkervergrendeling aan wanneer u niet spuit. Apparatuur handhaaft druk
nadat de stroom is uitgeschakeld.
Controleer de slangen en onderdelen op schade voor elk gebruik. Vervang
beschadigde slangen of onderdelen alleen met originele vervangingen.
Vervangende componenten moeten een druk hebben die minimaal gelijk is
aan de pompdruk van 3000 PSI (205 bar).
Volg altijd de Pressure Relief Procedure om de druk uit te schakelen en te
verlichten. Laathetapparaatnietonder spanning of onder druk staan terwijl het
onbeheerd is of niet in gebruik is.
Wees voorzichtig bij het reinigen en vervangen van slangen, sproeierpunten,
tipbeschermers of bij het installeren van verlengstukken. Volgde
Drukontlastingsprocedurevoor het uitschakelen en ontlasten van de druk voordat u
probeert te vervangen.
Apparatuuroppervlakken en vloeistof die onder druk staan, kunnen tijdens de
werking heet worden. Voorkom brandwonden door hete vloeistof of apparatuur
niet aan te raken.
HEET OP
HEET OPPERVLAK VEILIGHEID
UITRUSTING
UITRUSTING VEILIGHEID
GEZICHTSVEILIGHEID
MENT VEILIGHEID
- 12 -