Inbedrijfstelling
Nadat de batterijaansluitingen aan module B en de netaanslui-
ting aan module A2 tot stand gebracht werden, is de modu-
le B in werking. Voor de voeding van de verbruikers van 12 V
drukt u de hoofdschakelaar in.
Voor het onderbreken of sluiten van gelijkstroomverbindingen,
bijv. laadstroomkabel aan de accu, moet het toestel van het
net losgekoppeld worden. Stekker uittrekken!
Accu's met kortsluiting mogen niet geladen worden.
Explosiegevaar door knalgasontwikkeling!
Voorwaarden
De batterij moet een nominale spanning van 12 V en een
minimumcapaciteit van 80 Ah – 230 Ah in verbinding met een
module A2 en een minimumcapaciteit van 120 Ah – 360 Ah
in verbinding met een module A2 en een daarmee verbonden
module A3 hebben. Accu's met een lagere minimumcapaci-
teit worden onvoldoende geladen. Accu's met een te hoge
capaciteit worden te langzaam geladen.
Laadprocedure
Het laden van de accu gebeurt automatisch. Na een stroomuitval
tijdens het laden wordt de hoofdlaadprocedure automatisch
opnieuw gestart. De hoofdlaadprocedure wordt beëindigd
wanneer de accuspanning van 14,4 V bereikt wordt. Na afloop
van de bijlaadfase gebeurt de omschakeling naar het laadbe-
houd van constant 13,8 V.
Parallelle werking
Bij parallelle werking dient de verbruikerstroom lager dan de
maximale laadstroom van 23 A bij een module A2 en van 36 A
bij een module A2 en een daarmee verbonden module A3 te
zijn. Alleen op deze wijze is gevrijwaard, dat de accu wordt
geladen, hoewel er andere verbruikers worden verzorgd.
41