Inbouwhandleiding
Veiligheidsinstructies
In dit toestel zijn componenten ingebouwd, die een
vonk- of lichtboog kunnen veroorzaken!
De aansluiting van het stroomnet op het toestel moet in over-
eenstemming met de geldige nationale installatievoorschriften
uitgevoerd worden.
De montage en de aansluiting van elektrische apparaten moet
in principe door geschoold personeel uitgevoerd worden!
Zorg er voor, dat de stroomtoevoer afgekoppeld is! Stekker
uittrekken!
Gebruik voor de aansluiting van het toestel alleen de meegele-
verde delen alsook de voorgeschreven leidingdoorsneden en
zekeringen!
Gebruik alleen geschikt en onberispelijk gereedschap.
Sluit het toestel alleen conform het meegeleverde installatie-
schema aan!
Opstellen
De onderdelen (toebehoren) die zich in het verpakkingskarton
bevinden uitpakken en op volledigheid controleren:
1 gebruiksaanwijzing en montagevoorschriften
2 schroeven M4
2 moeren M4
2 onderlegplaatjes
Het toestel moet tegen vochtigheid en nattigheid beschermd
worden opgesteld. De opstellingsplaats moet schoon, droog
en goed geventileerd zijn. Bij de werking kan de behuizing tot
ca. 75 °C opwarmen. Houd daarom een minimumafstand van
100 mm aan en zorg ervoor dat de ventilatiesleuven niet afge-
dekt worden.
De inbouwruimte voor het toestel moet bovenaan en zijdelings
van ventilatieopeningen voorzien zijn, die een totale opening
van 100 cm² opleveren.
Batterijen met vloeibaar elektrolyt moeten in een afzonderlijke
box met een ventilatie naar buiten opgesteld worden. Een
afzonderlijke box is bij gel- en AGM-batterijen niet nodig. De
installatievoorschriften van de batterijfabrikant in acht nemen.
Zorg ervoor, dat de ventilatiesleuven vrij blijven! De
minimumafstand moet rondom 100 mm bedragen!
Onvoldoende ventilatie kan oververhitting van het toestel
veroorzaken!
Het toestel is geconcipieerd voor een werking in een om-
gevingstemperatuur tot 35 °C. Indien de temperatuur in het
toestel door gebrekkige luchtcirculatie of te hoge omgevings-
temperatuur stijgt, dan wordt de laadstroom automatisch
trapsgewijs gereduceerd.
Het apparaat kan liggend (horizontaal), hangend (verticaal),
maar niet ondersteboven ingebouwd worden.
Aanbouw module B aan module A2
Vóór inbedrijfstelling van de module B moet de module B aan
de module A2 aangebouwd en erop aangesloten worden.
Voor het aansluiten of onderbreken van leidingen
moeten de toevoerleidingen van accu en stroomnet
losgekoppeld worden!
Werkzaamheden aan module A2
Voordat de klemruimteafdekking afgenomen wordt, moet de
230 V-aansluitkabel van het stroomnet verbroken worden. De
klemruimteafdekking van module A2 afnemen (zie gebruiks-
aanwijzing en inbouwhandleiding module A2).
De module A2 heeft aan de rechterzijde drie aansluitstroken
voor de aansluiting van een module B. De middelste 4-polige
aansluitstrook is door de fabrikant van een overbruggings-
stekker voorzien. Deze stekker moet vóór de aanbouw van de
module B verwijderd worden.
Werkzaamheden aan module B
Afnemen van de klemruimteafdekking
Om de vlaksteekzekering uit te wisselen of om kabels aan of af
te klemmen, moet de klemruimteafdekking afgenomen worden.
Schroeven van de klemruimteafdekking (zie afb. 1, nr. 2) ope-
nen en de klemruimteafdekking langs voren uittrekken.
Het aanbrengen van de klemruimteafdekking gebeurt in om-
gekeerde volgorde. Erop letten dat de astappen van de klem-
ruimteafdekking in de sleuf van het achterste deksel van de
behuizing geschoven worden.
Aansluitstroken verbinden
Aan de linkerzijde van module B bevinden zich de passende
tegenhangers van de aansluitstroken. De module B en de
module A2 zodanig samenbrengen, dat de aansluitstroken
kenbaar aan de module A2 vastklikken. De zijvlakken van de
modules A2 en B moeten vlak op elkaar liggen.
Randaardecontact tot stand brengen, behuizing
vastschroeven
De klemruimteafdekking van module A2 afnemen.
Aan de linkerzijde (vooraan / bovenaan) van module B en aan
de rechterzijde van module A2 (vooraan / bovenaan) bevindt
zich telkens één boring (afb. 1, nr. 3) voor een schroef M4.
Met een schroef M4, een onderlegplaatje, een veer-
ring en een moer (die allemaal tot de omvang van de
levering behoren) moet de randaardeverbinding tussen de
modules A2 en B tot stand gebracht worden.
Aan de linkerzijde (achteraan / bovenaan) van module B en
aan de rechterzijde van module A2 (achteraan / bovenaan)
bevindt zich telkens een extra boring voor een schroef M4
(afb. 1, nr. 8).
Met de bijgevoegde schroef M4 worden de modules aan
elkaar bevestigd. De schroef tussen de koelribben door de
boringen brengen en de behuizingen van de modules A2
en B door middel van de bijgevoegde veerring en de moer
vastschroeven.
Bevestig het apparaat met twee schroeven.
39