9.1
Motorolie bijvullen (afb. 7)
LET OP
Het product wordt geleverd zonder motorolie. Voor
ingebruikname daarom altijd olie bijvullen. Gebruik
hiertoe multifunctionele olie (SAE 10W-30 of SAE
10W-40).
De motorolie heeft invloed op de prestaties en levensduur
van het product.
Gebruik een motorolie voor 4-taktmotoren.
Controleer regelmatig voor elke ingebruikname het olie-
peil. Een te laag oliepeil kan de motor beschadigen.
1. Schroef de oliepeilstok (11) los.
2. Vul de motorolietank met behulp van een trechter.
Let op de max. vulhoeveelheid (zie Technische gege-
vens).
Vul de brandstof voorzichtig bij tot aan de onderkant
van de vulpijp.
3. Veeg de oliepeilstok (11) met een schone, pluisvrije
doek schoon.
4. Voer de oliepeilstok (11) weer in, zonder de oliepeil-
stok (11) weer vast te schroeven.
5. Trek de oliepeilstok (11) eruit en lees in horizontale
positie het oliepeil af. Het oliepeil moet zich binnen de
markering op de oliepeilstok (11) bevinden.
6. Als het oliepeil te laag is, voeg dan de aanbevolen
hoeveelheid motorolie toe (zie technische gegevens).
7. Schroef de oliepeilstok (11) vervolgens weer vast.
9.2
Brandstof bijvullen (afb. 8)
• Schakel de motor uit en laat deze afkoelen.
• Houd uit de buurt van hitte, vlammen en vonken.
• Vul brandstof alleen in de open lucht bij.
• Draag veiligheidshandschoenen.
• Vermijd huid- en oogcontact.
• Vermijd het gebruik van oude of vervuilde brandstof of
brandstof-oliemengsels.
• Zorg ervoor dat er geen vuil of water in de brandstof-
tank komt.
• Start het product met een afstand van min. 3 m tot de
vullocatie van de brandstof.
Aanwijzing:
Controleer het brandstofpeil voor elke ingebruikname.
LET OP
Het product wordt geleverd zonder brandstof.
Voor ingebruikname daarom altijd brandstof
bijvullen.
1. Reinig de tankdop (5a) en het gebied rond de vulope-
ning om te voorkomen dat er vuil of vreemde voorwer-
pen in de brandstoftank (5) terechtkomen.
2. Open voorzichtig de tankdop (5a) zodat eventuele
overdruk kan ontsnappen.
3. Controleer het brandstofpeil visueel.
4. Zorg ervoor dat het brandstoffilterinzetstuk (5b) zich in
de vulopening bevindt.
5. Vul de brandstoftank (5) met behulp van een trechter
met brandstof.
Let op de max. vulhoeveelheid (zie technische gege-
vens).
Vul de brandstof voorzichtig bij tot aan de onderkant
van de vulpijp.
6. Sluit de tankdop (5a) weer door deze recht te plaatsen
en rechtsom te draaien. Zorg ervoor dat de tankdop
(5a) volledig gesloten is om lekken en verdamping te
voorkomen.
7. Reinig de tankdop (5a) en de omgeving.
8. Controleer de brandstoftank (5) en de brandstofleidin-
gen op lekkages.
10 Bediening
GEVAAR
Gevaar voor vergiftiging!
Gebruik het product alleen buitenshuis en nooit in ge-
sloten of slecht geventileerde ruimten.
WAARSCHUWING
Controleer de veiligheidsvoorzieningen regelmatig voor
elk gebruik. Defecte veiligheidsvoorzieningen kunnen
leiden tot ernstige letsels!
WAARSCHUWING
Neem de wettelijke voorschriften inzake geluidsbe-
scherming in acht.
• Zorg bij het werken in greppels, neerlaten of in kleine
ruimtes altijd voor voldoende luchtverversing. Levens-
gevaar door vergiftiging!
• Bedien het product met lage geluids- en uitlaatgase-
missies – laat de motor niet onnodig draaien, geef al-
leen gas als u aan het werk bent.
• Iedereen die met het product werkt, moet uitgerust,
gezond en in goede conditie zijn.
10.1
De motor starten (6) (afb. 9, 10)
LET OP
– Trek het starterkoord er altijd recht uit.
– Houd de greep van het starterkoord vast tot de star-
terkoord weer opwikkelt.
– Laat het starterkoord niet terugschieten. Dit kan tot
schade leiden.
– Trek het starterkoord van de starter niet verder dan
de maximale lengte uit. Zo voorkomt u dat het star-
terkoord scheurt.
– Bij koel weer kan het noodzakelijk zijn om het start-
proces meerdere te herhalen.
10.1.1
Aanwijzingen:
Bij hoge buitentemperaturen kan het voorkomen dat ook
bij een koude motor zonder choke moet worden gestart!
Zodra de choke na de start wordt geopend, begint het
product in het "halfgas" te schudden.
www.scheppach.com
Bij koude motor starten
NL | 81