Laat de compressor A niet langer dan
10 minuten lopen omdat de compressor
A anders oververhit raakt. Deze kan zo
beschadigd raken. Wanneer er geen
bandenspanning van 2,0 bar wordt
bereikt, moet de slang (1) worden
losgeschroefd. Rijd ca. 10 m naar voren
en/of terug zodat het vulmiddel zich in de
band kan verdelen. Herhaal vervolgens
het proces. Wanneer er dan nog geen
bandenspanning van 2,0 bar is bereikt,
is de band te sterk beschadigd. Neem
contact op met de dichtstbijzijnde MINI
Service.
Schakel de compressor A uit. Schroef de
slang (1) van het ventiel (2) en schroef de
stofbeschermingskap op het ventiel (2).
Voor het opbergen van de Mobility Set
moet de slang (1) met de draaisluiting
worden afgesloten om de bagageruimte
te beschermen tegen vuil door lekkend
vulmiddel.
Sluit de slang (1) met de draaisluiting en berg de
Mobility Set op in uw voertuig.
Vulvloeistof verdelen
Rijd direct na het vullen een ritje van
ca. 3 kilometer zodat het vulmiddel zich
gelijkmatig verdeelt.
Rijd hierbij niet sneller dan 60 km/h.
Rijd indien mogelijk niet langzamer dan
20 km/h.
Stop na ca. 3 kilometer op een geschikte plaats.
Houd de genoemde punten in het hoofdstuk
"Veiligheidsinstructies/veiligheidsmaatregelen in
geval van pech" in acht.
58
Bandenspanning
controleren
Schroef de stofbeschermingskap (1) van het
ventiel (2) van de defecte band af.
Plaats de manometer G op het ventiel (2).
Controleer de bandenspanning door de
manometer G licht op het ventiel (2) te drukken.
De bandenspanning moet minstens
1,3 bar bedragen. Wanneer deze waarde
niet wordt bereikt, laat dan het voertuig
staan en neem contact op met de MINI
Service.
Wanneer er nog minimaal 1,3 bar wordt
weergegeven, zet u de AIR/REPAIR-
draaischakelaar (1) op AIR.