Zet het dockingstation (B) op de gewenste
locatie met vier haringen (E) vast.
● Installeer de netvoeding buiten het
maaivlak, beschermd tegen direct
zonlicht en vocht – bevestig deze zo
nodig aan een muur.
De voeding werkt alleen bij een
omgevingstemperatuur die
tussen 0 °C en 40 °C ligt.
● Leg alle voedingskabels buiten het
maaivlak, met name ook buiten het
bereik van het maaimes en zet deze
vast aan de bodem of berg deze op in
een kabelgoot.
● Rol de voedingskabel in de buurt van
het dockingstation uit om storingen van
het draadsignaal te vermijden.
● Sluit de voedingsstekker aan.
Op het dockingstation knippert de
rode led snel, zolang er geen
begrenzingsdraad is aangesloten.
(
13.1)
● Druk na het afronden van de
werkzaamheden op de OK-toets.
0478 131 9957 A - NL
Bij externe dockingstations:
Leg na afloop van de eerste
installatie minstens één startpunt
buiten de doorgang naar het
dockingstation vast. Definieer de
startfrequentie zodanig dat 0 van
10 maaibeurten (0/10) bij het
dockingstation (startpunt 0) worden
gestart. (
11.14)
Til de robotmaaier aan de handgreep (1)
iets op om de aandrijfwielen te ontlasten.
Schuif het apparaat op de voorwielen in
het dockingstation.
Druk daarna op de OK-toets op het
display.
Als de accu leeg is, verschijnt
er na het indocken
rechtsboven op het display
een voedingsstekkersymbool in
plaats van het accusymbool. De
accu wordt opgeladen terwijl de
begrenzingsdraad wordt gelegd.
(
15.7)
9.9 Begrenzingsdraad leggen
Neem vóór het leggen van de
draad de inhoud van het hoofdstuk
"Begrenzingsdraad" ter harte.
(
12.)
Plan vooral het leggen, houd de
draadafstanden aan en installeer
verboden zones, draadreserves,
verbindingstrajecten,
aanpalende gazons en
doorgangen bij het leggen.
Bij kleinere maaivlakken met een
draadlengte van minder dan 80 m moet
het meegeleverde AKM 100 samen met
de begrenzingsdraad worden
geïnstalleerd. Bij te korte draadlengten
knippert op het dockingstation SOS en
wordt geen draadsignaal afgegeven.
307