NL
BE
2. Breng de telescopische buis (9) op de
gewenste lengte.
3. Draai de schroefhuls (8) weer vast.
Positie van de motorkop instellen
WAARSCHUWING! Gevaar voor ver-
wondingen! De veiligheidsafdekking mag
niet van de gebruiker weggekeerd zijn.
Laat de positie van de motorkop (11) in de
0° -positieals u het apparaat als gazontrim-
mer in de maaihoekstanden 1 - 4 gebruikt.
De positie van de motorkop (11) kan over
180° gedraaid worden.
Procedure (Fig. D.2)
1. Druk op de pal (7) om de vergrendeling te
lossen.
2. Draai het handgreepgedeelte (6) tot de
motorkop in de gewenste positie staat.
De pal (7) moet weer inklikken voor u het
apparaat veilig kunt gebruiken.
Zaaghoek instellen
Met een gewijzigde zaaghoek kunt u ook op
ontoegankelijke plaatsen trimmen, bijv. on-
der banken en richels.
Procedure (Fig. D.3)
1. Druk op de vergrendelknop (10) om de
kantelhoek te wijzigen.
2. Kantel de telescopische buis (9) tot de
gewenste positie bereikt is.
Deze 5 instellingen zijn mogelijk:
Positie
1
2
3
4
5
Werking als gazontrimmer (Fig. D.2/D.3)
• Zaaghoekpositie 1 - 4
• Positie van de motorkop 0°
Werking als gazonrandtrimmer
(Fig. D.2/D.3)
• Zaaghoekpositie 5
• Positie van de motorkop 180°
Afstandsbeugel instellen
De afstandsbeugel (plantenbescherming) (16)
houdt planten en stengels die niet gemaaid
moeten worden weg van het snijmechanis-
me.
72
Hellingshoek
15°
30°
45°
60°
75°
Procedure (Fig. F)
1. Klap de afstandsbeugel (16) naar bene-
den.
2. Klap de afstandsbeugel (16) naar boven
(parkeerpositie), als hij niet nodig is.
Maaidraad vieren
Het apparaat is uitgerust met een volledig
automatische draadtracking. De draad wordt
bij elk inschakelproces automatisch gevierd.
Om de automatische viering van de draad
correct te laten functioneren, moet de draad-
spoel (15) tot stilstand zijn gekomen voordat
u het apparaat opnieuw inschakelt. Moch-
ten de draden in het begin langer zijn dan de
maaicirkel aangeeft, dan worden ze door de
draadsnijder (35) automatisch ingekort tot de
juiste lengte.
Procedure (Fig. G)
1. Controleer de nylon draden regelmatig op
beschadigingen en of de maaidraad nog
de lengte heeft die door de draadsnijder
is opgegeven.
2. Wanneer geen draaduiteinden zicht-
baar zijn:
vernieuw de draadspoel (zie Onderhoud,
Pag. 74).
3. Draadlengte handmatig instellen:
verwijder de accu (20) uit het apparaat.
Trek licht aan het draadeinde en druk
op de vergrendelknop (34), indien no-
dig meerdere keren, totdat het draadein-
de iets buiten de draadafsnijder (35) uit-
steekt.
Laadstatus van de accu
controleren
LED's
rood, oranje, groen
rood, oranje
rood
1. Druk op de toets (22) naast de laadsta-
tusindicator (23) op de accu (20).
De leds van de laadstatusindicator geven
het laadniveau van de accu aan.
2. Laad de accu (20) op wanneer alleen
nog de rode led van de laadindicator (23)
brandt.
Accu opladen
Zie ook de gebruiksaanwijzing van de opla-
der.
Betekenis
Accu geladen
Accu gedeeltelijk ge-
laden
Accu moet worden
opgeladen