2
Ingebruikname en kalibrering
Schakel het apparaat in (toets 8). Het apparaat start in de
METAL-SCAN-modus.
Auto-Calibration: in de METAL-SCAN-modus en de
AC-SCAN-modus wordt een zelfstandige kalibrering
uitgevoerd. Door het indrukken van de CAL-toets (7) kunt u
het apparaat opnieuw kalibreren. Houd het apparaat tijdens
de kalibrering in de lucht om de maximale apparaatgevoelig-
heid te bereiken.
AutoShutOff: het apparaat schakelt ca. 2 minuten na de
laatste meting automatisch uit.
3
Meetmodus selecteren
Kies METAL-SCAN, STUD-SCAN of AC-SCAN door op toets
4, 5 of 6 te drukken.
4
METAL-SCAN-meting
Opsporen van metaal in steen- en betonwanden. Het apparaat
detecteert verdekt liggend metaal in alle niet-metalen materialen
zoals bijv. steen, beton, estrik, hout, gipsvezelplaten, gasbeton,
keramische en minerale bouwstoffen. Met de SET-toes (3) kunt
u de meetdiepte instellen.
– Selecteer METAL-SCAN (toets 5), Standaardinstelling. De
instelling is geschikt voor ijzer- en staalwapeningen die
dicht onder het oppervlak worden vermoed.
– Selecteer "Deep" of "S-Deep" voor dieper gelegen
objecten tot max. 10 cm (SET-toets).
– Selecteer "S-Deep" voor koperbuizen of elektrische
leidingen van koper die dicht onder het oppervlak
worden vermoed – koperbuizen tot max. 5 cm, elektrische
leidingen tot max. 3 cm. Bovendien kunnen eventueel
flexibele vloer- en wandverwarmingsbuizen worden
herkend die een metaalfolie bevatten en dicht onder
het oppervlak liggen. Test deze functie op plekken
waar u het verloop van de buis kent.
– Volg de aanwijzingen op het LC-display.
– MOVE: beweeg het apparaat langzaam over het oppervlak.
!
BELANGRIJK: apparaat en muur moeten tijdens
de hele meting in contact blijven.
MultiFinder Pro
17
NL