INSTRUCTIES VOOR DE INSTALLATIE EN HET GEBRUIK VAN
FORAS OPPERVLAK-ELEKTROPOMPEN
Voorwaarden voor gebruik en installatie
De oppervlak-elektropompen gefabriceerd door Foras, in normale omstandigheden:
Ze zijn geschikt voor het pompen van schoon water en vloeistoffen die chemisch en mechanisch niet
3
agressief zijn voor de materialen van de pomp, niet explosief, met een temperatuur:
• van +5 °C tot +50 °C, voor alle modellen met hydraulica in noryl, met uitzondering van de modellen PLUS,
waar aanbevolen wordt om +35 °C niet te overschrijden;
• van -15 °C tot +90 °C, voor modellen met rotor in metaal (messing, staal, gietijzer);
• van -15 °C tot +110 °C, voor de modellen PLUS S, SL en SLX.
Denk eraan dat een hoge temperatuur van de vloeistof die gepompt moet worden, alsook de hoogte van de plaats van
installatie van de elektropomp, de mogelijkheid/capaciteit voor aanzuiging van de pompen aanzienlijk verminderen.
Ze moeten op goed verluchte plaatsen worden geïnstalleerd die niet stoffig zijn, beschermd tegen weersinvloeden, bij
3
een omgevingstemperatuur tussen 5 en 40 °C; bij het installeren van de machine is het aanbevolen om aandachtig
de nodige ruimte te evalueren voor eventuele reparaties of verwijdering van de pomp. Denk er ook aan dat de omge-
vingstemperatuur en de hoogte van de plaats van installatie van de elektropomp de koeling van de elektrische motor
beïnvloeden en dus ook of deze al of niet onder volledige belasting kan werken. Er zijn openingen met schroefdraad
of flens (met contraflens) voorzien, horizontale of verticale as van de rotor en voeten/steunbasis; omwille van de
veiligheid is het aanbevolen om de elektropomp vast te zetten met behulp van de speciale gaten diep op de voeten/
steunbasis aanwezig zijn; vermijd om de installatie uit te voeren met de motor onder de romp van de pomp.
Ze mogen niet onderworpen worden aan meer dan:
3
• 10 opstartpogingen per uur met regelmatige intervallen: modellen met nominaal vermogen van 10 tot 37 kW;
• 15 opstartpogingen per uur met regelmatige intervallen: modellen met hydraulica in noryl of met nomi-
naal vermogen van 3 tot 7.5 kW;
• 30 opstartpogingen per uur met regelmatige intervallen: modellen met hydraulica in inox of met nominaal vermogen tot 2.2 kW.
Het toegelaten aantal maximum opstartbeurten is lager naargelang het vermogen van de machine hoger is. In geval van
groepen pet drukregeling, moet men op de afstellingsdruk van de drukregelaar werken om het aantal opstartpogingen/uur
van de elektropomp bij te regelen, door de differentiaal "ΔP" te verhogen (zie betreffende paragraaf), ofwel de capaciteit van
het reservoir te verhogen (door andere toe te voegen die gelijk zijn aan het bestaande reservoir of deze laatste te vervangen
door één met een groter volume). Wees bijzonder aandachtig voor de werking van de elektropompen met "press-control" en/
of "druk-debietregelaar" systemen: het minste, onmerkbare verlies op de installatie kan een hoog aantal opstartpogingen/ stil-
standen van de elektropomp veroorzaken, waardoor de levensduur aangetast wordt. Het is aangeraden om deze voorzieningen
te installeren in combinatie met een autoclaaf reservoir, zelfs als deze slechts een kleine capaciteit heeft (0,5-1 liter).
Ze kunnen een maximum werkdruk aan (gelijk aan de druk bij aanzuiging + prevalentie met gesloten aanvoerklep) van:
3
JA60÷100/JG/JXF/PA80-100/PE-PL50/CP/KB100/KM50-80-100/SD/RA/SE/SC
JAM/JA/PA150÷300/PE-PL100/KBJ/KM160÷550/JXM/MON
PLUS 50Hz met rotors ≤7/ PLUS 60Hz met rotors ≤5
PLUS 50Hz met rotors ≥8/ PLUS 60Hz met rotors ≥6
Leidingen
De leidingen moeten worden vastgemaakt en verankerd op hun eigen steunen en verbonden zodat ze geen belasting,
spanning en trillingen op de pomp overbrengen. -Fig. 4- Voor elektropompen van het type Garden (draagbaar) is
het aangeraden om spiraalleidingen (die niet vervormen) te gebruiken, leverbaar als kit samen met de pompen. De
interne diameter van de leidingen hangt af van hun lengte en van het debiet dat bereikt moet worden: ze moeten
worden gekozen zodat de snelheid van de vloeistof niet meer dan 1,4-1,5 m/s in aanzuiging en 2,4-2,5 m/s in aan-
voer bedraagt; in ieder geval moeten de leidingen een diameter hebben die niet kleiner mag zijn dan de diameter
van de openingen van de pomp. Vooraleer te installeren, moet men controleren of ze vanbinnen schoongemaakt zijn.
De aanzuigleiding moet: -Fig. 5-
3
• zo kort mogelijk zijn, zonder vernauwingen of bruuske veranderingen van richting;
• perfect hermetisch zijn en weerstand bieden aan de onderdruk die ontstaat bij aanzuiging van de pomp;
• een stijgend verloop hebben in de richting van de pomp, om luchtzakken te vermijden die de ontluchting van
de pomp kunnen verhinderen of luchtinlaat kunnen veroorzaken.
Voor de werking van de pomp in aanzuiging moet men een voetklep met filterbuis plaatsen; bij installatie van een zelfaanzuigende
pomp kan de voetklep worden vervangen door een terugslagklep die rechtstreeks wordt gemonteerd op de aanzuigopening. Voor
een correcte werking van de elektropomp moet het uiteinde van de aanzuigbuis in water ondergedompeld zijn met een diepte van
ten minste twee keer de diameter van de buis. Voor werking onder de slagdrempel moet men een afsluitklep plaatsen. -Fig. 3-
De aanvoerleiding is voldoende uitgerust met zowel een terugslagklep (voorgeschakeld, om de pomp
3
te beschermen tegen de stootslag en om terugstroom via de rotor te verhinderen) en van een re-
gelklep (nageschakeld, om het debiet, de prevalentie en het opgenomen vermogen te kunnen regelen).
-Fig. 3-Bij zelfaanzuigende elektropompen moet de aanvoerleiding voor grote hoogtes voor aanzuiging
(meer dan 5 m, maar wel minder dan 9 m) een recht en verticaal traject hebben van ten minste 1,0 m.
Elektrische aansluiting
De autoclaven (elektropompen met voorgeladen reservoir met membraam) en de Gardens worden klaar voor
installatie en gebruik geleverd. Eventuele vervangingen van de voedingskabel, van de bijhorende stekker,
van de schakelaar en van de drukregelaar, moeten worden uitgevoerd door een specialist; in ieder geval
moet men componenten gebruiken die volledig identiek zijn aan de vooraf bestaande componenten. Voor
alle andere pompen moet men de elektrische voedingskabels aanpassen op basis van hun lengte en van de
elektrische stroom vermeld op het label van de elektropomp: de uiteinden van de voedingsleidingen en van de
aarding voorbereiden zodat deze tijdens de fase van aansluiting van de leidingen niet kunnen loskomen wanneer
de betreffende moeren van het klemmenbord en de aardingsschroef worden aangespannen.De elektrische aanslu-
iting moet in elk geval door een specialist worden uitgevoerd, in naleving van de plaatselijke wettelijke normen.
Controleer of de spanning/frequentie van het elektrische voedingsnet overeenkomt met de gegevens op het label
van de elektropomp: daarna de klemmen aansluiten volgens de aanwijzingen van het schema vermeld op pag.4
en/of binnenin het deksel van het klemmenbord. De aansluiting van de aarding van de elektropomp uitvoeren,
gebruik de speciaal voorziene klem. Controleer of het elektrische voedingsnet een voldoende aarding heeft en of de
elektropomp ook daadwerkelijk op de aarding is aangesloten. Sommige eenfasige modellen elektropompen heb-
ben een elektrische motor die beschermd is door een thermische beveiliging voor onderbreking met automatisch
TYPE POMP
Serie MN genormaliseerd
CB160÷1500
bar
6
8
10
11
14