• Strip ca. 6 mm van de kabeleinden.
• Demonteer eventueel de moduleafdekking door de twee schroe-
ven los te draaien (zie de afb. in hoofdstuk 5) en haal de
moduleafdekking weg.
• Trek de kabelklem weg en steek de gestripte kabeleinden in de
klemmen. Houd hierbij rekening met de juiste polariteit (zie de afb.
en de polariteitsaanduiding op de behuizing vóór de kabelklem).
• Plaats opnieuw de kabelklem en controleer nogmaals de juiste
polariteit van de kabelaansluiting.
• Monteer opnieuw de moduleafdekking (als u deze losgemaakt
heeft) en plaats de rookmelder op de sokkel. Let erop dat de kabel
bij het plaatsen van de rookmelder op de sokkel niet door de
neopreen pakking ingeklemd wordt. Vóór de kabelklem en boven
de moduleafdekking is er plaats voor de kabel.
• Bij elke rookmelder die u zo monteert moet er een functiecontrole
gedaan worden zoals in hoofdstuk 4.
Bij de normale (periodieke) functiecontrole met behulp van de
controletoets (ca. 2 seconden lang tot het drukpunt indrukken)
wordt alleen de rookmelder die op dat moment bediend wordt
geactiveerd.
Pas bij een rookalarm (sigarettenrook e.d.) zullen ook alle aange-
sloten rookmelders geactiveerd worden. De rode lichtdiode zal
wel alleen bij de geactiveerde rookmelder knipperen. Als het
alarm niet doorgegeven wordt of bij voortdurende foute alarm-
meldingen moet de polariteit van de verbindingskabel gecontro-
leerd worden!
68