7 ns tot 16 µs. Hoe groter het bereik dat u op de TDR instelt, des te
langer is de uitgestuurde puls.
Op de korte afstand heeft een kleine pulslengte een goed scheidend
vermogen. Bij het testen over grotere afstanden belet de kabeldemping
de waarneming van ver verwijderde storingen.
De standaard-pulslengte kan worden gewijzigd. Zie het hoofdstuk Menu
in deze gebruikershandleiding voor het wijzigen van de standaard-
pulslengte.
Pulse Height (Pulshoogte):
U kiest uit drie pulshoogten: 3 V, 5 V en 14 V pk-pk; 14 V-pulsen zijn
echter niet beschikbaar wanneer het testbereik van het instrument
kleiner is dan 400 m. Wanneer u de pulshoogte vergroot worden de
weergegeven reflecties groter afgebeeld zodat u deze gemakkelijker kunt
identificeren. Door vergroting van de pulshoogte echter kunnen
storingen worden 'overgeslagen', vooral als deze zich voordoen in de
nabijheid van het instrument.
Echosporen opslaan (M1 tot M15)
De TDR2000/2 beschikt over vijftien geheugenplaatsen die u kunt
gebruiken voor het opslaan van echosporen. U kunt deze echosporen
opslaan voor latere analyse of voor analyse op een pc nadat u ze met
behulp van TRACEMASTER-software hebt gedownload. Op elke
geheugenplaats kan een grafisch echospoor worden opgeslagen samen
met de testvoorwaarden, de versterkingsfactor, het bereik en de
modusinstellingen.
Echosporen opslaan
Terwijl het gewenste echospoor op het display zichtbaar is drukt u de
SHIFT-toets tegelijk met de SAVE-toets in.
Het display moet nu in de linker bovenhoek een geheugenplaats
aangeven alsmede de indicatie SAVE MODE (Opslagmodus). Druk op
SHIFT en SAVE (Opslaan).
Dankzij de uitgebreide mogelijkheden op de TDR2000/2 voor het
weergeven van twee sporen en het meten van verschillen, kunt u de
geheugenplaatsen gebruiken als vergelijkingsmateriaal voor rechtstreeks
waargenomen echosporen. Dit is nuttig als de bekende goede aders die
normaal in de L1-L2-modus zouden worden gebruikt zich op te grote
afstand van de geteste kabel (C.U.T.) bevinden. In plaats daarvan kan
het opgeslagen spoor van een bekende goede kabel worden vergeleken
met de geteste kabel.
Echosporen opnieuw oproepen
Druk in een van de weergavemodi L1, L2, L1&L2 enzovoort op de toets
SAVE (Opslaan). Het instrument geeft het echospoor van de
geheugenlocatie M1 weer of van een andere vooraf gekozen locatie. De
betreffende instellingen voor bereik en versterking worden ook
opgeroepen.
Door de pijl UP (Op) of DOWN (Neer) op de toets GAIN (Versterking)
in te drukken kunt u alle geheugenplaatsen doorlopen.
Door de toets MODE (Modus) in te drukken kunt u een teruggeroepen
echospoor met L1 vergelijken. Druk de knoppen SHIFT en MODE
tegelijk in om over te schakelen tussen L1&M- en L1-M-weergave. Het
bereik, de versterkingsfactor en de pulslengte worden opnieuw
opgeroepen en automatisch op de opgeslagen waarden ingesteld.
Tijdens de weergave van een opgeslagen echospoor kunnen deze
waarden niet worden gewijzigd. U kunt echter wel de cursor
verplaatsen, de modus ZOOM (Zoomen) selecteren en de
snelheidsfactor wijzigen zodat u het opgeslagen echospoor volledig kunt
analyseren.
127