NL
BE
len van ca. 10 minuten de kettingspanning
te controleren en indien nodig te corrigeren.
Tijdens werken met de zaag wordt de zaag-
ketting warm en zet daardoor een beetje uit.
Met dit "langer worden" moet in het bijzon-
der bij nieuwe zaagkettingen rekening wor-
den gehouden.
Kettingspanning en -smering beïnvloeden
aanzienlijk de levensduur van de zaagketting.
Bij een nieuwe zaagketting moet u de ket-
tingspanning na maximaal 5 snijbewerkingen
aanpassen.
De zaagketting is correct gespannen als
hij aan de onderkant van het zaagblad niet
doorhangt en met de gehandschoende hand
helemaal kan worden rondgetrokken. Bij het
trekken aan de zaagketting met 9 N (ca. 1
kg) trekkracht mogen de zaagketting en het
zwaard niet meer dan 2 mm van elkaar zijn
verwijderd.
VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel door
onbedoeld aanlopen van het apparaat.
Schakel het apparaat uit. Haal de accu's uit
het apparaat.
Kettingspanning controleren
Trek de zaagketting (6) aan de bovenkant
van het zwaard (5) naar boven.
• Zaagketting kan nauwelijks omhoog wor-
den getrokken: de kettingspanning is te
hoog. Ontspan de zaagketting.
• De zaagketting kan zover omhoog wor-
den getrokken dat de aandrijfschakels
niet volledig zichtbaar zijn: de ketting-
spanning is juist.
• De zaagketting kan zover omhoog wor-
den getrokken dat de aandrijfschakels
volledig zichtbaar zijn: de kettingspanning
is te laag. Span de zaagketting.
Procedure
1. Deactiveer de kettingrem: Trek de ket-
tingremhendel (4) naar achteren naar de
voorste handgreep (11).
U kunt de kettingwielafdekking (9) alleen
terugplaatsen als de kettingremband los
is.
2. Draai de vleugelmoer (7) los ⭯.
88
3. Zaagketting spannen: Draai aan het
draaiwiel voor de kettingspanning (8) ⭮.
Zaagketting ontspannen: Draai aan het
draaiwiel voor de kettingspanning (8) ⭯.
4. Draai de vleugelmoer(7) vast.
Bij een nieuwe zaagketting moet u de ket-
tingspanning na maximaal 5 snijbewerkingen
aanpassen.
Kettingrem controleren
AANWIJZING! De zaagketting draait niet als
de kettingrem is ingeschakeld.
Procedure
1. Plaats de kettingzaag op een stevige,
vlakke ondergrond. Ze mag geen voor-
werpen raken.
2. Druk op de kettingremhendel (4).
3. Houd het apparaat tijdens het werken
steeds met beide handen stevig vast:
met de rechterhand op de achterste
(1) en met de linkerhand op de voorste
handgreep (11). Duim en vingers moeten
de handgrepen stevig omsluiten.
4. Schakel het apparaat in. De indicator (30)
voor de geplaatste kettingrem knippert.
De kettingrem werkt.
5. Laat de aan-/uitknop (2) los.
WAARSCHUWING! Risico op letsel door
de slepende zaagketting. Als de kettingrem
niet goed werkt, mag u de kettingzaag niet
gebruiken. Neem contact op met het servi-
cecentrum.
Kettingsmering controleren
AANWIJZING! Als u de kettingzaag met te
weinig olie gebruikt, zullen de zaagpresta-
ties en de levensduur van de zaagketting af-
nemen, omdat de zaagketting sneller bot
wordt. U kunt onvoldoende olie herkennen
aan de rookontwikkeling of verkleuring van
het zwaard. Zorg ervoor dat er altijd olie op
de ketting stroomt.
Instructies
• Controleer het oliepeil voordat u met het
werk begint.
• U kunt de kettingsmering op elk moment
tijdens het gebruik controleren.
Procedure
1. Terwijl de zaagketting loopt: Houd de
kettingzaag boven een lichtgekleurd
oppervlak. Houd rekening met het
oliespoor. De kettingzaag mag de bodem
niet raken!