3) Verticaal gebruik (alle varianten)
Het verankeringspunt moet altijd zo loodrecht mogelijk op de persoon
staan om slingerval tot een minimum te beperken. Als het verankeringspunt
zijdelings is, bestaat het risico dat de zijkant van de constructie wordt
geraakt. Om een slingerval tot een minimum te beperken, moet het
werkgebied of de zijdelingse beweging naar de middenas worden beperkt
tot max. 1,5 m (5,11). Als dit niet mogelijk is of als er grotere zijwaartse
bewegingen nodig zijn, dienen geen enkele ankerpunten te worden
gebruikt, maar b.v. ankerinrichtingen type C (de combinatie moet samen
getest worden) of type D volgens EN 795. Het toestel en het verplaatsbare
ankerpunt moeten zich vrij kunnen uitlijnen.
Controleer voor en tijdens elk gebruik of de vereiste bodemvrijheid H
in ieder geval voldoende is om de doeltreffendheid van het systeem te
waarborgen en botsingen met de vloer of andere obstakels te voorkomen
(Fig. 5):
Remweg van de SRL Δl (max. 2,0 m)
+ veiligheidsafstand (1 m)
+ eventueel extra hoogte van 0,6 m (bij werken met een zijdelingse
verplaatsing van max. 1,5 m)
+ evt. doorbuiging van de overige systeemcomponenten (neem de
betreffende gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht).
Gewichtslimieten:
alle varianten: 40 - 140 kg
4) Horizontaal gebruik (alleen RAPTOR C6/ C10/ C20)
De SRL kan onafhankelijk van de laag voor horizontaal gebruik worden
gebruikt. De geschiktheid van de snijkant werd bewezen door valtesten
over een hellingvrije snijkant van staal met een radius r = 0,5 mm. Op
basis van deze testen zijn de varianten RAPTOR C6, C10 en C20
toepasbaar bij een val over een rand. Als er een risico bestaat om over
een rand te vallen, moet ongeacht deze tests rekening worden gehouden
met het volgende:
• Als uit de voor aanvang van de werkzaamheden uitgevoerde risico-
beoordeling blijkt dat de snijkant bijzonder „scherp" (r < 0,5 mm) en/of
„niet braamvrij" is, moet deze worden
• een val over deze rand wordt voorkomen door technische of organi-
satorische maatregelen, of
• een randbeschermer is aangebracht en gebruikt of
• Er wordt contact opgenomen met de fabrikant.
• Het verankeringspunt mag zich niet onder het stavlak van de gebruiker
bevinden, b.v. op een dak of platform.
• De doorbuiging aan de rand mag niet groter zijn dan 90°.
• Slappe kabel moet worden vermeden.
• Bij zijdelings verschoven werken ten opzichte van het ankerpunt tot
Li
61