3
Installatie
EN
3.1
Het product installeren
SV
Voorzichtig! Installeer het laadstation niet onder
een grote boom om te voorkomen dat het product
beschadigd raakt door blikseminslag. Bevestig het
NO
verlengsnoer niet in de buurt van een grote boom.
PL
Let op! De maximaal toegestane lengte voor de
begrenzingsdraad is 300 m.
DE
Let op! Gebruik het product niet op hellingen steiler
dan 27% (15°). (Afbeelding 2)
FI
1
Kies een geschikte plaats voor het laadstation. Zorg
ervoor dat de ondergrond vlak en horizontaal is.
FR
Opgelet! Het laadstation kan naast een muur worden
geplaatst als de afstand tot de muur minimaal 35 cm
is. Zorg ervoor dat er voor en achter het laadstation
NL
minstens 1 m rechte begrenzingsdraad is zonder
obstakels. (Afbeelding 3)
2
Verwijder ongeveer 10 mm isolatie van een
uiteinde van de begrenzingsdraad.
3
Sluit het uiteinde van de begrenzingsdraad aan
op de rode klem aan de achterkant van het
laadstation. (Afbeelding 4)
4
Trek de begrenzingsdraad door de opening in de
grondplaat van het laadstation.
Voorzichtig! De begrenzingsdraad moet op
35 cm van de rand van het maaigebied worden geplaatst.
De afstand kan worden teruggebracht tot 10 cm als het
maaigebied wordt doorkruist door paden of opritten die
gelijk liggen met de grond.
5
Bevestig de omtrekdraad met haringen op de
grond langs de rand van het maaigebied. Zet de
haringen op een afstand van ongeveer 80 cm.
Zorg ervoor dat de grensdraad recht is, plooi hem
niet. (Afbeelding 5)
Opgelet! Als de grond niet waterpas is, moeten de
haringen soms dichter bij elkaar geplaatst worden.
Let op! Bochten moeten een hoek van minstens 90°
vormen. De begrenzingsdraad moet van beide kanten
helemaal recht naar de hoek lopen. Afbeelding 6
Let op! Het product heeft een vrije ruimte van 80 cm
nodig voor een correcte werking. (Afbeelding 7)
74
6
Knip de overtollige begrenzingsdraad af als de
begrenzingsdraad helemaal rond het maaigebied
is geplaatst, tot aan het laadstation. Verwijder
ongeveer 10 mm isolatie van het uiteinde van de
begrenzingsdraad.
7
Sluit de begrenzingsdraad aan op de zwarte klem
aan de achterkant van het laadstation.
8
Bevestig de bodemplaat van het laadstation aan
de grond met de spijkers.
Voorzichtig! Leg de stroomkabel indien
mogelijk aan de buitenkant van het maaigebied. Graaf de
stroomkabel in als hij in het maaigebied gelegd wordt.
9
Installeer de voedingsadapter op een muur,
minimaal 30 cm van de grond.
10
Sluit de stroomkabel aan op het laadstation en op
de voedingsadapter.
11
Sluit de adapter aan op een stopcontact.
De statusindicator zal continu licht groen op.
Zo niet, raadpleeg dan '4.1 Gids voor
statusindicatoren' op pagina 75.
12
Voer de standaard pincode "0000" in. Het cijfer "0"
knippert op het display.
13
Druk 4 keer op de knop "OK".
3.2 Beschermde zones creëren
1
Plaats de begrenzingsdraad in een lus rond de
beschermde zone. Zorg ervoor dat het product
over een vrije ruimte van 80 beschikt cm rond het
beschermde gebied. (Afbeelding 8)
2
Bevestig de begrenzingsdraad die van de lus naar
de grond loopt samen met de begrenzingsdraad
die naar de lus loopt.
3.3 Een functietest uitvoeren
1
Stel de maaihoogte in op 50 mm.
2
Plaats het product in het maaigebied en start het
op. Zie '4.3 Het product bedienen' op pagina 75..
3
Houd toezicht om er zeker van te zijn dat het
product correct werkt in het maaigebied.
4
Stop de maaimodus en zorg ervoor dat het
product langs de begrenzingsdraad terugkeert
naar het laadstation.