– Alle kabelverbinding en (ook in het voertuig) met de bijgeleverde
isolatietape of gelijkwaardig materiaal afdichten.
– Let er bij het installeren van de kabels op, dat deze:
1. niet sterk geknikt en verdraaid worden,
2. niet langs kanten schuren,
3. niet zonder bescherming door scherpkantige doorvoeringen
worden getrokken.
– Iedere opening in de buitenhuid dient door geëigende maat-
regelen tegen binnendringen van water beschermd te worden,
b.v. door de kabel met afdichtmassa te isoleren en de kabel en de
doorvoertule met isolatiespray te behandelen.
Maken van correcte soldeerverbindingen
Om een kabel op een originele leiding aan te sluiten:
1. 10 mm van de originele leiding afstrippen (zie ✎ K 5),
2. 15 mm van de aan te sluiten kabel afstrippen (zie ✎ K 6),
3. aan te sluiten kabel om de origiginele leiding wikkelen en vastsolderen
(zie ✎ K 7),
4. Kabel met isolatietape isoleren (zie ✎ K 8).
Om 2 kabels met elkaar te verbinden:
1. beide kabels afstrippen (zie ✎ K 9),
2. een krimpkous van ca. 20 mm lengte over en kabel trekken
(zie ✎ K 10),
3. beide kabels ineendraaien en vastsolderen (zie ✎ K 11),
4. krimpkous over de soldeerpositie schuiven en iets verwarmen
(zie ✎ K 12).
Gebruik van de aftakverbinders
Om loszittende contacten op de aftakverbindingen te vermijden, is net
belangrijk, dat de kabeldoorsnedes bij de aftakverbinders passen.
Werkstappen voor gebruik van de aftakverbinder:
1. De kabel, die afgetapt moet worden, in de voorste groef van de aftak-
verbinder legen (zie ✎ K 1).
2. De nieuwe kabel ligt met het einde voor ca. 3/4 in de achterste groef
(zie ✎ K 2).
3. De verbinder sluiten en met een combitang het metalen verbindingstuk
in de verbinder drukken, zodat een stroomverbinding wordt gevormd
(zie ✎ K 3).
4. De beschermkap omlaag drukken en op de verbinder vastgrendelen.
De bevestiging van de aftakverbinding controleren door aan de kabel
te trekken (zie ✎ K 4).
Bekabeling
109