Ingebruikname
Voordat u het apparaat in gebruik neemt,
plaatst u beide accupacks 2
en bevestigt u de draagriem z .
►
apparaat passende kleding en werk-
handschoenen. Controleer voor elk
werkt. Controleer of het apparaat cor-
rect is gemonteerd. Als de aan-uitknop
beschadigd is, mag niet meer met het
apparaat worden gewerkt. Persoon-
correct werkend apparaat verminderen
het risico op letsel en ongevallen.
Na het uitschakelen van het apparaat
►
draaien. Letselgevaar door draaiend
gereedschap.
OPMERKING
Houd rekening met de regelgeving
►
voor geluidshinder en andere plaatse-
In- en uitschakelen
OPMERKING
Controleer of het apparaat geen voor-
►
werpen raakt voordat u het inschakelt.
Zorg ervoor dat u veilig staat.
Druk op de aan-uitknop w om het
♦
display in te schakelen.
Druk voor inschakeling opnieuw op de
♦
aan-uitknop w.
Voor de regeling van het blaasvermogen
♦
drukt u op de knop voor de snelheids-
stand q.
indrukken = één stand hoger
♦
indrukken = één stand lager
♦
|
NL / BE
De 4 snelheidsstanden op het bedie-
ningspaneel geven aan op welke stand het
blaasvermogen staat.
–
Stand 1
–
Stand 2
–
Stand 3
–
Stand 4
Druk voor uitschakeling op de aan-uit-
♦
knop w.
Houd de aan-uitknop w 3 seconden in-
♦
gedrukt om het display uit te schakelen.
Turbomodus
Druk op de TURBO-toets e om het
♦
blaasvermogen naar de turbomodus te
schakelen.
Druk opnieuw op de TURBO-toets e om
♦
de turbomodus te stoppen.
Het blaasvermogen gaat dan terug naar
de laatst ingestelde stand.
controleren
De laadstatusindicatie 8 geeft de laad-
toestand van de accupacks 2
het apparaat met de aan-uitknop w op het
bedieningspaneel is ingeschakeld.
De laadtoestand van de accupacks 2 wordt
tusindicatie 8 als volgt aangegeven.
3 leds branden (rood, oranje en groen):
accu is opgeladen
2 leds branden (rood en oranje):
accu moet worden opgeladen
9.000 min
-1
12.500 min
-1
15.500 min
-1
18.000 min
-1
-