9. HET OPLADEN
• Controleer of de schuifschakelaar voor het kiezen van het type accu (8) in de juiste stand
staat voor de op te laden accu; zo niet, schuif de schakelaar dan naar de juiste stand.
Opgelet, belangrijk!
Omdat LiFe-accu's een lagere celspanning hebben dan LiPo-accu's, is het absoluut
nodig met de schuifschakelaar het juiste type accu te kiezen en de instelling tijdens
het opladen niet te veranderen. Alleen zo worden de verschillende soorten accu's
op de juiste manier opgeladen zonder dat ze daarbij beschadigd worden.
• Kies met behulp van de laadstroomschuifschakelaar (4) de benodigde laadstroom (1 A, 2 A
of 3 A).
Opgelet!
Houd u wat betreft de maximale laadstroom altijd aan de opgave van de accufabri-
kant.
De maximale laad- en ontlaadstroom worden aangegeven met de capaciteitswaar-
de „C". Als u niet weet wat de fabrikant heeft opgegeven, laad LiPo-accu's dan met
een laadstroom van max. 1C. Dat betekent dat de laadstroom niet groter mag zijn
dan de op de accu afgedrukte capaciteitswaarde (bijv. aangegeven accucapaciteit
1000 mAh, max. laadstroom 1000 mA = 1A).
Wordt de voor de accu maximaal toelaatbare laadstroom overschreden dan
bestaat de kans dat de accu onherstelbaar wordt beschadigd. Daarnaast bestaat er
ontploffings- en brandgevaar!
Verdere aanwijzingen over de maximale laadstroom treft u aan in de informatiebla-
den over of de opschriften op de accu's.
Let erop dat de laadvermogen van de oplader maximaal 20 W bedraagt. Met een
laadstroom van 3 A correspondeert dus slechts een laadspanning van ca. 6,66 V.
Is een hogere laadspanning nodig, dan is de laadstroom gezien het maximale leverbare
vermogen, automatisch lager.
• Sluit de banaanstekker van de door u gebruikte oplaadkabel op de beide bussen (7) van de
oplader aan. Let er daarbij zeer goed op dat de polariteit (rood = plus/+, zwart = min/-) juist
is.
76