h) Aandrijvings- en stuurfuncties testen
Controleer voor elke rit of de instellingen op de zender juist zijn en of het voertuig goed volgens de stuurcommando's
van de zender reageert.
Zoals reeds in hoofdstuk 9. f) beschreven, dient het voertuig op een geschikte kartonnen doos of iets
dergelijks te worden gezet zodat de wielen vrij kunnen draaien.
• Stel de trimming voor de aandrijving (zie hoofdstuk 7, pos. 10) zo in dat de aandrijving niet beweegt wanneer de
hendel (10) wordt losgelaten.
• Stel de trimming voor de besturing (zie hoofdstuk 7, pos. 6) zo in dat de voorwielen recht staan wanneer het draaiwiel
(9) wordt losgelaten.
• Controleer of de besturing juist reageert op het draaiwiel (9). Als de reactie tegengesteld is (draaiwiel naar links,
stuuruitslag naar rechts), dan dient u de reverse-schakelaar (4) in de andere stand te zetten.
• Controleer of de aandrijving juist reageert op de hendel (10). Verwissel indien nodig het vooruit/achteruitrijden met
de reverse-schakelaar (5). Raadpleeg ook hoofdstuk 9. j).
i) Carrosserie opzetten en bevestigen
Geleid het antennebuisje vanaf de onderzijde van de carrosserie door de betreffende opening. Indien er nog geen
opening is, kan deze eenvoudig met het juiste gereedschap op de betreffende plaats worden gemaakt.
Plaats nu de carrosserie op de houders en beveilig deze met de in het begin verwijderde borgklemmen.
Uw voertuig is nu klaar voor de eerste proefrit.
j) Het voertuig besturen
Bedien de hendel (10) voor de rijfunctie heel voorzichtig en rijd in het begin niet te snel totdat u vertrouwd
bent met de reacties van het voertuig op de bediening.
Maak geen snelle of plotselinge bewegingen met de hendel (10) of het draaiwieltje (9).
Als het voertuig de neiging heeft om naar links of rechts te trekken, moet u de trimming voor de besturing op de zender
bijstellen (zie hoofdstuk 7, pos. 6).
Bij de overgang van vooruit- naar achteruitrijden moet de gashendel kort (ca. 1 seconde) in de middenpositie staan
(middenpositie = motor beweegt niet).
Als de gashendel direct van vooruit- naar achteruitrijden wordt geschoven, dan wordt de aandrijving afgeremd (het
voertuig rijdt NIET achteruit).
De rijregelaar kan worden omgeschakeld tussen „vooruit/rem" en „vooruit/rem/achteruit". Achteruitrijden
is natuurlijk alleen mogelijk wanneer de betreffende functie ook is geactiveerd.
87