NL
• Indien in bedrijf, nooit vloeistoffen op de glasbuis
sproeien.
• De glazen buis wordt tijdens het gebruik extreem
heet. Raak deze nooit aan en houd kinderen uit
de buurt van de gashaard.
• Zorg ervoor dat de gashaard altijd horizontaal en
stevig op een vaste ondergrond staat. De glazen
buis kan breken als de gashaard omvalt.
• Gebruik de gashaard nooit als de glazen buis
beschadigd is
Leveringsomvang
► Leveringsomvang – p. 3
Uitpakken en montage
Uitpakken
Apparaat uitpakken en controleren op compleetheid.
Montage
GEVAAR! Snijgevaar! Metalen plaatcom-
ponenten kunnen scherpe randen hebben.
Wees voorzichtig bij de montage en draag
handschoenen.
► Montage – p. 5
6
7
2
Gasfles aansluiten
– Zet alle draaiknoppen op de gashaard op [UIT].
– Controleren of de klep (6) van de gasfles dichtge-
draaid is.
– Veiligheidsdop van de aansluitingsschroefdraad
van de fles (7) schroeven.
– Alle dichtingen t.a.v. beschadigingen controleren;
geen extra dichtingen monteren.
– Wartelmoer (2) van de drukregelaar (3) met de
hand tegen de klok in op de aansluitingsschroef-
draad van de fles schroeven (linkse draad).
Dichtheidscontrole
– Wartelmoer (2) en aansluitingsschroefdraad (4)
van de slang (5) bestrijken met zeepsop en
onderzoeken op gasbelvorming.
– Gasflesklep (6) openen.
De verbindingen zijn dicht als er geen gasbelletjes
ontstaan.
– Bij lekkende verbindingselementen de klep (6)
van de gasfles onmiddellijk sluiten en het
ondichte verbindingselement vervangen.
80
3
4
5
1
GEVAAR! Explosiegevaar! Een dicht-
heidscontrole met open vlam is streng ver-
boden!
Veiligheidsinstructies m.b.t. de omgang met
gas in ieder geval naleven!
Tijdens de dichtheidscontrole mogen er
geen ontstekingsbronnen in de buurt zijn.
Verboden te roken!
Poreuze of beschadigde slangen en armatu-
ren moeten in ieder geval worden vervan-
gen.
Bediening
Van tevoren controleren!
Controleer de veilige toestand van het apparaat:
– Controleer of er zichtbare defecten zijn.
– Controleer of alle onderdelen van het apparaat
stevig gemonteerd zijn.
– Controleer alle gasaansluitingen ten aanzien van
hun dichtheid.
– Controleer of alle draairegelaars op UIT staan.
Instructies voor het aansteken
► P. 13, punt 2
1. Controleer of de draairegelaar in de stand [OFF]
staat.
2. Draai het ventiel van de gasfles langzaam open.
3. Houd de [IGNITOR]-knop ingedrukt om vonken
te genereren, druk daarna de draairegelaar in en
zet hem op [PUSH]. Zodra de brander is inge-
schakeld, houdt u de draairegelaar 30 seconden
lang ingedrukt. Daarna moet de brander inge-
schakeld blijven.
4. Wanneer de brander niet aan blijft of na 30 secon-
den dooft, draait u de draairegelaar op [OFF],
wacht u 5 minuten totdat het gas vervlogen is, en
herhaalt u stap 3.
5. Om de gewenste warmtestand in te stellen, draait
u de regelaar van [LOW] naar [HIGH].
Voor volledige uitschakeling
1. Zet de draairegelaar eerst op [PUSH], druk hem
dan in en zet hem op [OFF].
2. Draai het gasflesventiel dicht voordat u de gasfles
afkoppelt. Als er een ontstekingsprobleem
optreedt, schakel dan de gashaard en de gastoe-
voer uit en raadpleeg ► Storingen en hulp –
p. 81.
Aanwijzing:
Controleer de vlam van de brander visueel aan de
hand van de onderstaande afbeelding:
De vlam moet blauw zijn met lichtgele punten.
In de stand [LOW] zou u een kleinere vlam moeten
zien dan in de stand [HIGH]. Voer voorafgaand aan
elk gebruik een vlamtest uit. Als er slechts een klein
vlammetje te zien is, raadpleeg dan "Brandervlam is
klein" onder ► Storingen en hulp – p. 81.