Optie
SET FUNCTION
SET TRANSFER
SET FILTER
SCALE 0mA/4mA
4–20mA-activeringsopties
1. Druk op menu en selecteer SETUP SYSTEM (systeem instellen)>SETUP OUTPUTS (uitgangen
instellen)>4–20mA SETUP (instelling 4–20 mA).
2. Selecteer de beschikbare UITGANG.
3. Selecteer SET FUNCTION>LINEAR CONTROL (FUNCTIE INSTELLEN>LINEAIRE REGELING)
en selecteer vervolgens de van toepassing zijnde opties in het menu ACTIVATION
(ACTIVERING).
Optie
SET LOW VALUE (lage waarde
instellen)
SET HIGH VALUE (hoge waarde
instellen)
4. Selecteer SET FUNCTION>PID CONTROL (FUNCTIE INSTELLEN>PID-REGELING) en
selecteer vervolgens de van toepassing zijnde opties in het menu ACTIVATION (ACTIVERING).
Optie
SET MODE
PHASE
INST. SETPOINT Stelt de waarde voor een regelpunt in het proces in.
PROP BAND
INTEGRAL
DERIVATIVE
TRANSITIETIJD
Omschrijving
Selecteer een functie. Overige opties verschillen afhankelijk van de gekozen functie.
LINEAR CONTROL (LINEAIRE REGELING) – het signaal is lineair afhankelijk van de
proceswaarde. PID CONTROL (PID-REGELING) – het signaal functioneert als een
PID-controller (proportioneel, integraal of afgeleid). LOGARITMISCH – het signaal
wordt logaritmisch weergegeven binnen het procesvariabelenbereik. BILINEAIR – het
signaal wordt als twee lineaire segmenten weergegeven binnen het
procesvariabelenbereik.
Als TRANSFER (OVERDRACHT) is of wordt geselecteerd als de ERROR HOLD
MODE (HOLD-MODUS VOOR FOUTEN), selecteer dan SET TRANSFER
(OVERDRACHT INSTELLEN) en voer de overdrachtwaarde in. Bereik: 3,0 tot
23,0 mA (standaard = 4.000). Raadpleeg
op pagina 155.
Voer de filterwaarde in. Dit is een tijdsgemiddelde filterwaarde van 0 tot
120 seconden (standaard = 0).
Selecteer de schaal (0-20 mA of 4-20 mA).
Omschrijving
Stelt het lage eindpunt van het procesvariabelenbereik in.
Stelt het hoge eindpunt (bovenste waarde) van het
procesvariabelenbereik in.
Omschrijving
AUTO (AUTOMATISCH) – het signaal wordt automatisch geregeld door de algoritme
wanneer de analyser gebruikmaakt van proportionele, integrale en afgeleide ingangen.
MANUAL (HANDMATIG) – het signaal wordt geregeld door de gebruiker. Om het signaal
handmatig te wijzigen, verandert u de %-waarde in MANUAL OUTPUT (HANDMATIGE
UITGANG).
Selecteert het signaalresultaat wanneer zich proceswijzigingen voordoen.
DIRECT – signaal wordt verhoogd naarmate het proces toeneemt.
REVERSE (OMGEKEERD) – signaal wordt verhoogd naarmate het proces afneemt.
Stelt de waarde in voor het verschil tussen het gemeten signaal en de vereiste
instelwaarde.
Stelt de tijdsperiode in tussen het inspuitpunt van het reagens en het contact met het
meetapparaat.
Stelt een afstelwaarde in voor vacillatie van het proces. Bij de meeste toepassingen is
regeling mogelijk zonder gebruik te maken van de afgeleide instelling.
Stelt de waarde in om de PID-regeling gedurende een geselecteerde tijdsperiode te
stoppen wanneer het monster van de regelpomp naar de meetsensor gaat.
Hold-modus voor fouten instellen
Nederlands 151