10 Gebruiksvoorschriften
9.2.4
Uitvoering zonder ErgoStart
► De starthandgreep langzaam tot aan de eerst
voelbare aanslag uittrekken en vervolgens
snel en krachtig doortrekken
9.2.5
Uitvoering met ErgoStart
► De starthandgreep gelijkmatig uittrekken
LET OP
Het koord niet tot aan het koorduiteinde uit de
boring trekken – kans op breuk!
► De starthandgreep niet terug laten schieten –
maar laten vieren zodat het startkoord correct
kan worden opgerold
► Verder starten tot de motor draait
9.2.6
Zodra de motor draait
► De blokkeerhendel indrukken en gas geven –
de chokeknop springt in de werkstand F – na
een koude start de motor door enkele keren
gas te geven warmdraaien
WAARSCHUWING
Bij een correct afgestelde carburateur mag het
werktuig bij stationair toerental niet meedraaien!
Het apparaat is klaar voor gebruik.
9.3
Motor afzetten
► De stopschakelaar richting 0 drukken – de
motor stopt – de stopschakelaar loslaten – de
stopschakelaar veert terug
9.4
Verdere aanwijzingen met
betrekking tot het starten
De motor slaat in de koudestartstand g of bij
het accelereren af.
► De chokeknop in stand < plaatsen – verder
starten tot de motor draait
De motor start niet in de warmestartstand <
► De chokeknop in stand g plaatsen – verder
starten tot de motor draait
0458-540-9421-D
De motor slaat niet aan
► Controleren of alle bedieningselementen cor‐
rect zijn afgesteld
► Controleren of de tank met benzine is gevuld,
zo nodig tanken
► Controleren of de bougiesteker stevig op de
bougie is gedrukt
► Startprocedure herhalen
Alle benzine werd verbruikt
► Na het tanken de balg van de hand-benzine‐
pomp ten minste 5-maal indrukken – ook als
de balg met benzine is gevuld
► De chokeknop afhankelijk van de motortempe‐
ratuur instellen
► Motor opnieuw starten
10 Gebruiksvoorschriften
10.1
Gedurende de eerste bedrijfsu‐
ren
Het nieuwe apparaat tot aan de derde tankvul‐
ling niet onbelast met hoge toerentallen laten
draaien, om te voorkomen dat er tijdens de
inloopfase extra belasting optreedt. Gedurende
de inloopfase moeten de bewegende delen op
elkaar inlopen – in de motor heerst een ver‐
hoogde wrijvingsweerstand. De motor levert zijn
maximale vermogen pas na 5 tot 15 tankvullin‐
gen.
10.2
Tijdens de werkzaamheden
De motor nog even stationair laten draaien als hij
voordien lange tijd onder vollast heeft gedraaid,
tot de meeste warmte door de koelluchtstroom is
afgevoerd. Dit om te voorkomen dat de compo‐
nenten op de motor (ontstekingssysteem, carbu‐
rateur) door warmteophoping te zwaar worden
belast.
10.3
Na het werk
Als het werk even wordt onderbroken: de motor
laten afkoelen. Het apparaat met lege benzine‐
tank op een droge plaats, niet in de buurt van
ontstekingsbronnen, opbergen tot het moment
dat het apparaat weer wordt gebruikt. Bij langdu‐
rige stilstand – zie "Apparaat opslaan".
Nederlands
49