Bediening
Communicatie met de centrale besturingseenheid
(1) Wanneer de controller een opdracht ontvangt van de centrale, wordt het pictogram
.
weergegeven. Op dit moment zijn alle toetsen ongeldig, behalve AAN/UIT, ventilatorsnelheid
en temperatuurinstelling.
(2) Wanneer de controller de vergrendelingsopdracht ontvangt, wordt het pictogram
weergegeven. Op dat moment zijn alle toetsen ongeldig.
(3) In de centrale of vergrendelde stand is de achtergrondverlichting geldig, druk op een
willekeurige toets om het scherm te wekken.
Temperatuurcompensatie
(1) Deze functie wordt gebruikt om de omgevingstemperatuur te compenseren. In de
uit-stand, wanneer de achtergrondverlichting brandt, houdt u de FAN-knop 10 seconden
lang ingedrukt om de interface voor temperatuurcompensatie te openen. De parameters
kunnen worden aangepast met
of
. Zodra de aanpassing is gemaakt, drukt u op
de MODE toets om de wijziging te bevestigen.
(2) Wanneer de temperatuur wordt weergegeven in graden Celsius, is het instelbereik van
de parameter -4°C ~ 4°C. Wanneer de temperatuur wordt weergegeven in graden
Fahrenheit, is het instelbereik van de parameter -8 °F~ 8°F.
(3) Deze functie is alleen geldig bij het verzamelen van de omgevingstemperatuur van de
bekabelde regelaar.
21