Alarm bij snelle spanningsdaling
Functie:Hetsysteem geefteenwaarschuwing voorsnelle spanningsdaling,
g
spannin
binnen12 seconden m etmeerdan0.2 bardaalt.Alarmmodus:Hetalarmlampje, de
achtergrondverlichtingt hetsymbool voorsnelle spanningsdaling en hethoorbare a tarmsig-
LCD-
l
naa
n
worde
tegelijkertijd g eactiveerd. Handelwijze:U kunthethoorbare alarmsignaal uitzetten
dooreenwillekeurige toetsin te drukken,Hetsysteem gaatweeroverin de normalemodus.
Aanwijzing: Wanneer zicheenlekvoordoet of wanneer despanning s ne/daalt, S topt u danencontroleer deband.
Alarm bij sensorstoring
Functie: Wanneerde sensoruitvaltof de monitorop grondvan RF-interferentie g edurendeeen
bepaal
d
periode geengegevens k anontvangen, geefthetsysteem eenalarmomdestoring van
de sensor te melden. Alarmmodus: Het rode alarmlampje, de LCD-achtergrondverlichting,het
ool
waarschuwingssymb
voor alarmwegenseen sensorstoring e n het hoorbare alarmsignaal
n
worde
tegelijkertijd g eactiveerd. Aanwijzing: U kunthet hoorbare alarmsignaal uitzetten dooreenwillekeurige toets
in te drukken. Het rode alarmlampjewordt automatischuitgeschakeld, w anneerde monitorweer signalenvan de
desbetreffende bandenpositie kan ontvangen.
Waarschuwing bij geringe batterijlading
Functie: Het systeemgeeft een waarschuwing, w anneerde batterijlading te gering is om een
k
gebrui
vandemonitor t e waarborgen. Alarmmodus:Erklinkttweemaal eenkortepieptoon, het
l
symboo
voorde batterijknippertcontinu.Handelwijze: Vervang de batterijenof sluit de monitor
aanopde stekkervoorde sigarettenaansteker, zodatde monitorvia de voertuigaccu kanworden
gebruikt.
Instelling en programmering van de sensor-ID
Sensor-ID
instellen
k
Dru
indenormale modus gedurende 3 seconden d eE-toets in omnaardeprogrammeermodus
verschijntde aanduiding
die Staat v oordeindexinterface 1.
Druk onder indexinterface 1 de E-toets in om naar de modus voor de
programmering eninstellingvande sensor-ID te gaan.
Eerstwordende eerstezescijfersvan de sensor-ID voorde linkervoorband
.
weergegeven
Dezecijferswordendoorons00kaangeduid als het'bovenste
deer van het ID-nummer. D e iH' geeft aan,dat het gaatom de eerstezes
cijfersvande ID.
Wissel door het indrukkenvan de S-toetsde interfacevan het display.Nu
wordende laatstezes cijfers van de sensor-IDweergegeven, die door ons
00
k
n
worde
aangeduid a ls het 'onderste deel'vanhet ID-nummer. De'L'
geef
t
aan,dathetgaatomdelaatste zescijfers vandeID.
Doo
r
de S-toetsnogmaals i n te drukken, k untu de ID-nummers vanalle
sensoren controleren,
U kunt vanuit elke willekeurigebandenpositie weer naar indexinterface 1
gaan
,
doordeS-toets ingedrukt te houden.
44
1
wanneer d ebanden-
—
bat
O
te gaan. O phetdisplay
.u
— uu
ÜÜ6
Hetop de afbeeldingen r echtsweergegeven voorbeeld t oonteensituatie
waarbij g eensensor-ID voorderechtervoorband,
is geprogrammeerd.
Sensor-ID programmeren
Metdeze functie kunnen nieuwe sensoren a anhetsysteem worden toegevoegd of sensoren d iezijnverloren of defect z ijn,
wordenvervangen. U moeteerstdenieuwesensor-ID voorde desbetreffende b andenpositie in de monitorprogrammeren,
Vervolgens moetdesensor o pdejuistewijzeophetbandenventiel worden bevestigd. Gadaarbij a lsvolgtte werk:
Drukin demodusvoordeinstellingvande IDgedurende ongeveer3 secon-
dendeE-toetsin omnaar deprogrammeermodus t e gaan.Nade overgang
knippert heteerste cijfer
Steldewaardein door de S-toetsin te drukken.Bevestigde invoerdoorde
E-toets in te drukken.Na de bevestiging knipperthet tweedecijfer.Stel00k
hierdewaardein door de S-toetsin te drukken.Drukde E-toetsin om de
invoer te bevestigen en naarde volgendepositiete gaan,
Druknavoltooiingvan de programmering van de eerste6 cijfers (bovenste
deel) d eE-toets i nomnaar delaatste 6 cijfers (onderste d eel) t egaanendeze
te programmeren.
Nadeovergang begint h eteerste cijfer t e knipperen.
Druk nadeprogrammering vanalle12cijfers, z oals boven atgebeeld, gedurende 3 seconden d eE-toets inomdeinstelling
opteslaan. Ter bevestiging klinkt e rueemaal e enpieptoon enhet d isplay l icht t weemaal op. V ervolgens gaathetdisplay
weernaardemodusvoordecontrolevandeID.
Aanwijzing•. D eserienummers ende 12cijfers(nummer v andesensor-II)) staanopeenapanbladlederesensor h eeft
zijneigen serienummer en/D-nummen B ewaar d eze informatie opeenveilige plaatsenleterop,datu deze nietverliest
Tijdens hetproces vandeinstelling vandeIDkuntu terugkeren n aarindexinterface 1, zonder d e
instelling o pte slaandoordeS-toets ingedrukt te houden.
Aanwijzing: Wanneer u na de programmering vanalle 12cijfers vande ID vaststeltdat dege-
wensteID niet werd opgeslagenen het display,zoa/s onderafgebeeld,twee tekens weergeeft,
controleer d ana.u.b,of er sprakeis vaneenverkeerde bediening, z oa'shieronderbeschreven:
1. Programmering van eenongeldigeID. De volledige ID vanalle sensorenheeft 12 cijfers en is
onderverdee/d in 4 groepen.De cijfers van de afzonder/ijke groepenliggenbinnenhet geta//en-
bereikvan 001 tot en met 255 Ingevoerde gegevens zoalsb.v. 000 of 256 kunnenniet op de
monitor worden ingesteld.
2. Voortwee verschil/ende bandenposities werd deze/fdeID aangegeven. D e sensorenin één
pakkethebbenin principeallemaalverschi/lende I D's.
Wanneer e r sprakeis vanéénvandebovengenoemde situaties,wordtde programmering nietdoor
hetsysteem opgeslagen ende gebruikermoetde IDopnieuwprogrammeren.
diezwattwordtafgebeeld,
nn
1
aeo
45