d)
Gebruik alleen milde, voedselveilige schoonmaakmiddelen om het apparaat te wassen.
e)
Na het reinigen van het apparaat moeten alle onderdelen volledig worden gedroogd alvorens het
opnieuw te gebruiken.
f)
Bewaar het toestel op een droge, koele plaats, vrij van vocht en directe blootstelling aan zonlicht.
g)
Spuit het apparaat niet af met een waterstraal en dompel het niet onder in water.
h)
Zorg dat er geen water in het apparaat komt via openingen in de behuizing van het apparaat.
i)
Het apparaat moet regelmatig worden geïnspecteerd om de technische doeltreffendheid ervan te
controleren en eventuele schade op te sporen.
j)
Gebruik voor reinigen een zachte, vochtige doek.
k)
Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe en/of metalen voorwerpen (bijv. een staalborstel of een
metalen spatel) omdat deze het oppervlaktemateriaal van het apparaat kunnen beschadigen.
l)
Reinig het apparaat niet met een zure substantie, middelen voor medische doeleinden, verdunners,
brandstof, olie of andere chemische stoffen, omdat dit het apparaat kan beschadigen.
m) Het waterreservoir van het apparaat moet regelmatig worden schoongemaakt en het water in het
reservoir moet regelmatig worden vervangen (het water kan via de aftapkraan aan de onderkant
worden afgevoerd) om de groei van bacteriën te voorkomen.
8. Afvoeren van gebruikte apparaten
Gooi dit apparaat niet in gemeentelijke afvalsystemen. Lever het in bij een recycling- en verzamelpunt voor
elektrische apparaten. Controleer het symbool op het product, de gebruiksaanwijzing en de verpakking. De
kunststoffen die voor de bouw van het apparaat zijn gebruikt, kunnen overeenkomstig hun markering
worden gerecycleerd. Door te kiezen voor recycling levert u een belangrijke bijdrage aan de bescherming
van het milieu.
Neem contact op met plaatselijke autoriteiten voor informatie over plaatselijke recycling.
9. Problemen oplossen
Mislukking
Schakel de stroom in, zet de
schakelaar op AAN, de schakelaar licht
niet op.
Zet de stroom aan, zet de schakelaar
op de AAN-stand, draai de
thermostaat, het
verwarmingsindicatielampje brandt,
maar de temperatuur stijgt niet
Zet de stroom aan, zet de schakelaar
op AAN, draai aan de thermostaat, het
verwarmingsindicatielampje gaat niet
branden, maar de temperatuur stijgt.
Zet de stroom aan, zet de schakelaar
op AAN, draai de thermostaat, de
verwarmingsindicator zal niet
oplichten en het apparaat zal niet
opwarmen.
NL
Mogelijke reden
1. De stroomvoorziening is niet
goed en de stroom is niet
aangesloten.
2. De schakelaar is beschadigd.
De verwarmingsbuis is
doorgebrand.
De verwarmingsindicator is
beschadigd.
1. De thermostaat is
beschadigd.
2. De temperatuurbegrenzer is
beschadigd.
Oplossing
1. Controleer de voeding en
de verbindingskabels om de
stroomvoorziening normaal te
maken.
2. Vervang de schakelaar.
Vervang de doorgebrande
verwarmingsbuis
Vervang de
verwarmingsindicator.
1. Vervang de thermostaat.
2. Vervang de
temperatuurbegrenzer.